Iemand wees me erop dat er op mijn website wel een artikel over de hel staat*, maar geen over de hemel. Dat mag toch niet ontbreken, vond hij. Een terechte opmerking. Met dit artikel wil ik dit gemis aanvullen. Het heeft mij veel vreugde gegeven om het te schrijven. Ik ben diep onder de indruk geraakt van de Heer Jezus, Die ‘het hart van de hemel’ is (Dt 4:11).
Inleiding
De zoekterm ‘hemel’ leverde ruim 1000 vermeldingen op, waarbij ook woorden als hemels en hemelse zijn meegerekend. Hieruit heb ik een selectie gemaakt van passages die mij, in de context waarin ze worden genoemd, het meest hebben geholpen om iets meer van de hemel te begrijpen. Wat ik heb gevonden en hier doorgeef, is slechts een begin. Het is aan de lezer om er verder over na te denken en niet genoemde teksten op te zoeken en te onderzoeken.
Waarschuwing: Het is niet de bedoeling dat nadenken over de hemel ons mensen maakt die ‘naar de hemel staren’ (Hd 1:10). Twee engelen stellen daarom de vraag aan de discipelen: “Wat staat u naar de hemel te kijken?” (Hd 1:11a). We kunnen die vraag als een vermaning opvatten die ook voor ons geldt. Het is niet de bedoeling dat wij, nu de Heer in de hemel is, met de armen over elkaar Zijn wederkomst afwachten. Er is werk te doen. Zeker is het belangrijk Hem te blijven verwachten, maar juist een levende verwachting van Hem zal ons tot activiteit aanzetten. Wij hebben ons immers bekeerd van de afgoden tot God “om [de] levende en waarachtige God te dienen en Zijn Zoon uit de hemelen te verwachten, Die Hij uit <de> doden heeft opgewekt, Jezus, Die ons redt van de komende toorn” (1Th 1:9b-10).
De schepping van de hemel
De eerste keer dat de hemel wordt genoemd, is in het eerste vers van de Bijbel: “In het begin schiep God de hemel en de aarde” (Gn 1:1). Hier leren we direct belangrijke zaken over de oorsprong en het doel van de hemel.
God is de Schepper van de hemel (vgl. Ps 33:6; 136:5; Ne 9:6; Hd 14:15). De schepping van de hemel wordt direct verbonden met de schepping van de aarde. Eerst wordt de hemel genoemd, daarna de aarde. God heeft de hemel als bron van zegen voor de aarde geschapen. Hij wilde de aarde vanuit de hemel regeren en heeft de zegeningen op aarde afhankelijk gemaakt van de relatie tussen de aarde en de hemel. De zegeningen kunnen materieel of stoffelijk zijn, maar ook betrekking hebben op waarden, normen en het geestelijk welzijn.
Door de zonde van de mens is de verbinding tussen de aarde en de hemel verbroken. Die verbinding zal worden hersteld op grond van het werk dat de Heer Jezus op het kruis heeft volbracht. Wie berouw heeft over zijn zonden en zich bekeert, zal deelhebben aan de tijden van verkwikking die zullen komen wanneer God Christus, Jezus, zendt, “Die [de] hemel moet opnemen tot op [de] tijden van [de] herstelling van alle dingen” (Hd 3:19b-21a). Die tijden breken aan wanneer de Heer Jezus verschijnt met de wolken van de hemel en het koninkrijk der hemelen opricht. Dan zal Gods wil op aarde gebeuren, zoals die ook in de hemel gebeurt (Mt 6:10). Dat zal louter zegen tot gevolg hebben. In die dagen staat de hemel boven de aarde (Dt 11:21), dat wil zeggen dat de hemel over de aarde heerst (Dn 4:27).
Verschillende betekenissen van het woord hemel
De hemel is voor ons zowel een voor zichtbaar als een onzichtbaar gebied. De hemel die wij boven ons zien, is het gewelf of het firmament, dat als scheiding dient tussen het water dat onder het gewelf is, en het water dat boven het gewelf is. God geeft daar de naam “hemel” aan (Gn 1:7-8a). Aan deze voor ons zichtbare hemel plaatst God lichten, de zon, de maan en de sterren, om licht te geven op de aarde (Gn 1:14-17). De hemel als zichtbaar gebied zien we ook de vogels vliegen en van waaruit de regen op de aarde neervalt (Gn 1:20; 7:11; 8:2; Dt 11:11; Dn 4:18; Lk 17:24). Een en ander laat zien dat de hemel een bron van zegen voor de aarde is.
Met de hemel wordt ook een voor ons onzichtbaar gebied aangeduid:
- De verblijfplaats van de engelen (Mt 22:30; 24:36; 28:2; Lk 2:15; 22:43; Gl 1:8). De satan en zijn demonen hebben er toegang (Jb 1:6; 2:1; Lk 10:18; Op 12:7-9). Deze onzichtbare goede en boze machten worden “de overheden en de machten in de hemelse [gewesten]” genoemd (Ef 3:10a).
- De verblijfplaats of woning van God (Dt 26:15; 1Kn 8:30,39; Ps 2:4; Js 57:15).
- De plaats waar Zijn troon staat (Ps 11:4; Hb 8:1; Op 4:2); de hemel wordt zelfs Zijn troon genoemd (Js 66:1; Mt 5:34).
- De plaats van waaruit de Heer Jezus neerdaalde, waarheen Hij opsteeg, en waarin Hij door Stéfanus werd gezien (Mk 16:19; Hd 7:55; 1Ko 15:47).
Verschillende hemelen
Er zijn verschillende hemelen. Paulus spreekt erover dat hij werd opgenomen “tot in [de] derde hemel” (2Ko 12:2). De derde hemel is de hoogste plek in de schepping. Dit geeft aan hoe hoog Paulus is opgetrokken: boven de wolkenhemel, die we de eerste hemel kunnen noemen, en zelfs boven de sterren- en planetenhemel, die we de tweede hemel kunnen noemen.
In die derde hemel wordt Paulus zelfs opgenomen “in het paradijs”, waar hij “onuitsprekelijke woorden hoorde” (2Ko 12:4). De satan heeft geen toegang tot het paradijs. Het paradijs vertelt iets over de sfeer die daar heerst: het is de plaats waar de geest en de ziel van de ontslapen gelovigen zijn en waar zij ongestoord genieten van de Heer Jezus. Daar heeft Paulus een kijkje mogen nemen en even mogen luisteren.
Van de Heer Jezus lezen we dat Hij de hemelen is doorgegaan (Hb 4:14). Hij is niet alleen de hemel ingegaan, maar de hemelen doorgegaan. Hij is niet in de eerste of tweede gebleven, maar de derde en hoogste hemel ingegaan. Hij is ook het paradijs ingegaan (Lk 23:43) en het Vaderhuis ingegaan (Jh 14:2-3).
We lezen ook over “de allerhoogste hemel”, letterlijk “de hemel der hemelen”. Deze uitdrukking geeft eveneens aan dat er diverse hemelen zijn (Dt 10:14; 1Kn 8:27). Met “de hemel der hemelen” wordt de derde hemel bedoeld.
Van de Heer Jezus gaat dit alles te boven. Van Hem wordt gezegd dat Hij “hoger dan de hemelen geworden” is (Hb 7:26). Hij is, nadat Hij is gestorven en opgestaan, hoog verheven “boven alle hemelen”. ‘Boven alle hemelen’ is als het ware de overtreffende trap van verhevenheid. In Markus 16 lezen we over de eerste trap. Daar wordt Hij, de ware Dienaar, “opgenomen in de hemel” (Mk 16:19). In Hebreeën 4 zien we de tweede trap. Daar is Hij de grote Hogepriester “Die de hemelen is doorgegaan” (Hb 4:14). In Efeziërs 4 is Hij de overwinnende Mens Die is opgevaren “boven alle hemelen” (Ef 4:10). Dat is de derde, de overtreffende, de alles te boven gaande trap. Hoe groot is Hij!
De heerlijkheid van Zijn Persoon is ondoorgrondelijk, onnaspeurlijk. Ze nodigt uit om je met die Persoon bezig te houden, steeds meer van Hem te genieten en Hem te bewonderen. In de eeuwigheid zal er geen plek in de hemel en ook niet op de aarde zijn waar Zijn heerlijkheid niet zichtbaar is. Er is dan geen plaats meer voor iets anders. Hij is het en Hij alleen. Wat Hij dan zal zijn, mag nu al zo zijn voor het hart van ieder die met Hem verbonden is. Op Hem wil de Heilige Geest ons hart richten. Dat geldt voor elk onderwerp in Gods Woord en zeker ook voor de hemel.
De hemel en de gelovige
Het is opvallend dat, voor zover ik heb kunnen nagaan, de hemel nergens in de Bijbel wordt genoemd als een plaats of gebied waar de gelovigen pas naartoe gaan wanneer ze ontslapen of wanneer de Heer Jezus hen komt halen (1Th 4:15-18). De Schrift geeft aan dat de gelovige wanneer hij sterft naar het paradijs gaat om met “Jezus” te zijn (Lk 23:42-43). Paulus zegt iets dergelijks als hij zegt dat het verreweg het beste is “met Christus” te zijn (Fp 1:23). Elders zegt hij dat hij liever het verblijf in het lichaam wil verlaten en “bij de Heer” wil inwonen (2Ko 5:8).
De Heer Jezus spreekt over het Vaderhuis in dezelfde zin: “In het huis van Mijn Vader zijn vele woningen; als het niet zo was, zou Ik het u hebben gezegd, want Ik ga heen om u plaats te bereiden. En als Ik ben heengegaan en u plaats heb bereid, kom Ik weer en zal u tot Mij nemen, opdat ook u zult zijn waar Ik ben” (Jh 14:2-3). Het gaat bij de hemel en het Vaderhuis niet om deze gebieden of plaatsen op zich, maar om Hem Die daar is, “waar Ik ben”.
De hemel is vooral een gebied dat het leven van de gelovige, terwijl hij op aarde is, behoort te kenmerken. Als we nagaan wat de Bijbel over de hemel zegt, zien we dat er niet over wordt geschreven als een gebied waar we straks zullen zijn, maar wat het effect ervan is op ons leven hier en nu op aarde. Daarom is het van belang goed te kijken naar wat God en de Heer Jezus over de hemel tegen ons zeggen en dat ter harte te nemen. We zullen zien dat de hemel ons de weg wijst die we op aarde moeten gaan.
Sinds we Christus hebben leren kennen, zijn wij op aarde bijwoners en vreemdelingen (1Pt 2:11). Ons echte thuis is, terwijl we op aarde zijn, de hemel. Zolang we hier zijn, in een omgeving die daar geen deel aan heeft, mogen we leven in het besef dat “ons burgerschap in [de] hemelen” is, dat we burgers van de hemel zijn (Fp 3:20). Als dit een realiteit voor ons is, zullen we als ambassadeurs van ons werkelijke, hemelse vaderland in een vreemd land leven. Ons hele gedrag behoort het leven van ons hemelse vaderland uit te stralen. Tegelijk houden we ons aan de regels van het land waarin we tijdelijk verblijven, zolang die regels niet in strijd zijn met ons burgerschap in de hemelen.
Als we vervuld zijn van ons hemelse vaderland, verlangen we ernaar daarheen te verhuizen. Daarom zien we uit naar de Heer Jezus Christus. Hij is het doel waarnaar we op weg zijn. Hij is “het hart van de hemel” (Dt 4:11). Dat zal in ons leven op aarde zichtbaar zijn en we zeggen van harte met Asaf: “Wie heb ik [behalve U] in de hemel? Naast U vind ik nergens vreugde in op de aarde” (Ps 73:25).
Het beste van de hemel, Gods schatkamer
De laatste woorden van Mozes, de man Gods, zijn woorden van zegen voor elk van de stammen van Israël afzonderlijk (Dt 33:1-29). Over Jozef zegt hij: “Moge zijn land door de HEERE gezegend zijn, met het beste van de hemel, met dauw” (Dt 33:13). “Het beste van de hemel” is “de dauw van de hemel van boven” (Gn 27:39). De dauw symboliseert leven en verkwikking die als zegen van boven neerdaalt. De dauw daalt ’s morgens vroeg onhoorbaar neer om de aarde te bevochtigen en bij te dragen aan het voortbrengen van vrucht. God voorziet in mogelijkheden om het land te bevochtigen zodat het rijke vrucht kan voortbrengen (Ps 65:11).
Tijdens de woestijnreis van Israël wordt de dauw uit de hemel verbonden met het manna uit de hemel: “Telkens wanneer de dauw ’s nachts op het kamp neerdaalde, daalde [ook] het manna daarop neer” (Nm 11:9). Het manna is een beeld van de Heer Jezus als “het brood dat uit de hemel neerdaalt, opdat men daarvan eet en niet sterft” (Jh 6:50). Hij is ons voedsel. We voeden ons met Hem als we over Hem lezen in de evangeliën, als we denken aan de wijze waarop Hij op aarde Zijn weg is gegaan, de gezindheid waarin Hij alles heeft gedaan, de woorden die Hij heeft gesproken, de daden die Hij heeft verricht en Zijn gevoelens bij dit alles. Dit voedsel is het voedsel van de eeuwigheid. Hoe goed is het om aan het begin van een nieuwe dag ons met Hem te voeden en door Hem verkwikt en gesterkt te worden om die dag voor Hem te leven.
In Deuteronomium 28 spreekt Mozes over de regering van God over Zijn volk. Hij houdt het volk voor dat het bij trouw, dat wil zeggen bij gehoorzaamheid aan de wet, gezegend zal worden. Bij ontrouw, dat wil zeggen bij ongehoorzaamheid aan de wet, is er vloek en zijn er rampen en plagen voor het hele volk. Mozes begint met het voorstellen van de zegen (Dt 28:1-14). Daarin wijst hij op de “rijke schatkamer, de hemel” van de HEERE (Dt 28:12). Die schatkamer zal opengaan als het volk gehoorzaam is. Dat betekent dat God Zijn zegen uit Zijn eigen onuitputtelijke volheid zal geven. Hij zal het werk van hun handen zegenen, wat aangeeft dat zegen door arbeid verkregen wordt.
Toegepast op ons, christenen, hebben deze zegeningen een geestelijke betekenis. Die betekenis is dat God bereid is ons “een volheid van zegen van Christus” te geven (Rm 15:29). Die volheid van zegen is in Christus Zelf te vinden, “in Wie al de schatten van de wijsheid en kennis verborgen zijn” (Ko 2:3). God wil dat wij, dat wil zeggen “alle heiligen” (Ef 3:18), vervuld worden “tot de hele volheid van God” (Ef 3:19). Daarvoor mogen we bidden, want Hij is in staat “zeer overvloedig te doen boven alles wat wij bidden of denken, naar de kracht die in ons werkt” (Ef 3:20). Als we maar met ons hele hart gericht zijn op de bron van alle zegen, op de Gever Zelf, en als ons doel is Hem “de heerlijkheid in de gemeente en in Christus Jezus, tot in alle geslachten van alle eeuwigheid” te geven (Ef 3:21).
Voor ons betekent dit dat we zoeken “de dingen die boven zijn, waar Christus is, gezeten aan Gods rechterhand” en dat we bedenken “de dingen die boven zijn, niet die op de aarde zijn” (Ko 3:1-2). Het zoeken van de dingen die boven zijn, betekent op Christus gericht zijn en Hem uitleven op aarde. We kunnen het vergelijken met, zoals we eerder zagen, een ambassadeur van een bepaald land in een ander land. Die zet zich daar in voor het thuisland en de belangen daarvan. Hij is daar niet om in een gemakkelijke stoel na te denken over zijn mooie thuisland.
Het gaat om een voortdurend zoeken met inspanning van alle krachten. Door dit zoeken naar en bedenken van de dingen die boven zijn, wordt ons leven hier gevormd. Het zal meer en meer de karaktertrekken gaan vertonen van ons leven dat boven is. Bezig zijn met boven, met de hemel, is bezig zijn met Christus. Het resultaat is dat we alle eigenschappen van de verheerlijkte Christus leren kennen en daarvan steeds meer in ons leven op aarde laten zien.
Een eeuwig huis in de hemelen
Paulus spreekt over het lichaam dat wij nu hebben als “onze aardse tent waarin wij wonen”, die “afgebroken wordt” (2Ko 5:1a; vgl. 1Pt 1:13-14). Daartegenover stelt hij het feit dat “wij een gebouw van God hebben, een huis niet met handen gemaakt, een eeuwig [huis], in de hemelen” (2Ko 5:1b). Door het lichaam te vergelijken met een ‘tent’ maakt hij duidelijk dat het een tijdelijke woning is, waarin we niet tot in eeuwigheid zullen wonen. Een tent is ook een verplaatsbare woning, wat aangeeft dat de aarde niet onze vaste verblijfplaats is.
Het lichaam dat we nu hebben, is niet het lichaam waarmee we de eeuwigheid zullen doorbrengen. Daarvoor laat het te veel de sporen van de zonde zien. In Filippenzen 3 wordt ons lichaam dan ook “het lichaam van onze vernedering” genoemd (Fp 3:21). God kan er niet tevreden mee zijn ons met dit lichaam bij Zich in de hemel te hebben. Nee, Hij heeft iets veel beters voor ons.
Hij heeft in de hemel een ‘gebouw’ voor ons klaar. Dat gebouw is niet door mensenhanden gemaakt, maar Hij heeft het Zelf ontworpen en klaargemaakt. Dit gebouw is niet, zoals ons lichaam nu, tijdelijk en verbonden met de aarde, maar het is eeuwig en verbonden met de hemel. Het hoort thuis in de hemel. Dit gebouw van God is het lichaam dat we zullen krijgen wanneer de Heer Jezus ons en al de Zijnen komt halen. Een geweldig vooruitzicht!
De hoop in de hemelen
In Kolossenzen 1 spreekt Paulus, nadat hij over geloof en liefde heeft gesproken (Ko 1:4), over “de hoop die is weggelegd in de hemelen” (Ko 1:5). Het woord “weggelegd” geeft aan dat het op een veilige plaats ligt, met de bedoeling dat het later openbaar wordt. Hier zien we dat Paulus de gelovigen, ons, tijdens ons leven op aarde, verbindt met de hemel. Het stimuleert ons de blik naar boven te richten en ons leven af te stemmen op wat we daar bezitten.
Als we aan de hoop in de hemelen denken, wordt ons hart gevuld met de inhoud van die hoop, dat is de Heer Jezus (Ko 1:27). De hoop maakt deel uit van het evangelie dat ons is gepredikt. De kracht van het evangelie is niet alleen dat het ons op aarde bevrijdt uit de macht van de zonde. Het evangelie heeft ook betekenis voor de toekomst in het binnengaan van de eeuwige heerlijkheid. Hoe kan het ook anders? Christus is daar en wij zijn verlost om met Hem te zijn. Wij blijven niet altijd in deze wereld en hebben er ook niet ons thuis. We hebben een hoop. Die hoop verlicht ons pad door de wereld, zoals de zon, de maan en de sterren dat in de natuur doen.
Een erfenis in de hemelen
Petrus spreekt over een erfenis die in de hemelen voor ons is weggelegd (1Pt 1:4). Het recht op de erfenis hebben we gekregen “door [de] opstanding van Jezus Christus uit [de] doden” (1Pt 1:3). Door Zijn opstanding wordt ons oog gericht op een deel in een andere wereld.
Christus heeft niet alleen Zijn bloed gegeven en is gestorven, maar Hij is ook opgestaan. We zien een levende Heer. Daardoor hebben we “een levende hoop” en kijken we over de dood heen en zien alles wat daar met Hem verbonden is. Zonder Zijn opstanding zou er geen hoop zijn (1Ko 15:19-20). Een levende hoop is een hoop die ons levendig voor ogen staat. Het betreft niet iets onzekers, maar deze hoop is een absolute zekerheid. Door het nieuwe leven zijn we zeker van die hoop. De hoop op die erfenis is het verlangen ernaar, waardoor we worden gemotiveerd om met vreugde onze weg als pelgrim door dit leven te gaan.
Het is een erfenis die volmaakt zeker je deel zal zijn. Zij ligt voor je klaar en is door niets aan te tasten en door niemand te roven. Het erfdeel ligt vast in de hemelen en wordt daar in Jezus Christus, de opgestane en verheerlijkte Mens, voor ons bewaard. Niets is in staat die erfenis in waarde te doen verminderen:
1. Zij is “onvergankelijk”, dat wil zeggen niet aan te tasten door de dood, waardoor zij uiteindelijk zou vergaan.
2. Zij is ook “onbevlekt”, dat wil zeggen vrij van elke smet en niet door iets van de zonde aan te tasten.
3. Zij is tevens “onverwelkelijk”, dat wil zeggen zonder enige ontsiering of zelfs maar vermindering van haar schoonheid en niet vatbaar voor slijtage.
Deze erfenis is verbonden aan de Zoon Die God heeft gesteld tot “Erfgenaam van alle dingen” (Hb 1:2). Daarom is zij onaantastbaar voor de dood, het vuil en het verval. Het is Gods plan om alles aan Zijn Mens geworden Zoon te onderwerpen en wij mogen in die erfenis delen. Wat een wonder van genade!
De erfenis of het erfdeel is het koninkrijk van de Heer Jezus, waarin de gelovigen aan wie Petrus schrijft (gelovige Israëlieten) eenmaal zullen ingaan, evenals wij. Het betreft echter niet het koninkrijk op aarde, dat er zeker ook zal zijn, maar het hemelse koninkrijk. Wanneer de Heer Jezus openbaar regeert over hemel en aarde, mogen alle gelovigen die zijn gestorven of opgenomen voordat het vrederijk aanbreekt, vanuit de hemel met Hem regeren over allen die in de hemel en op de aarde zijn, en over alles wat op aarde is (1Ko 6:2,3). Dit is het beste deel dat in het koninkrijk denkbaar is.
Het hemels koninkrijk
Paulus schrijft in zijn tweede brief aan Timotheüs, de laatste brief die we van hem in de Bijbel hebben, dat hij binnenkort gedood zal worden (2Tm 4:6). Toch is zijn blik daar niet op gericht, maar ziet hij uit naar “het hemels koninkrijk” van de Heer Jezus (2Tm 4:18). Het ‘hemels koninkrijk’ is het hemelse deel van het koninkrijk der hemelen waarover Mattheüs vaak schrijft.
Paulus ziet ernaar uit met de Heer Jezus mee te komen en mee te maken dat de Heer Jezus dat koninkrijk opricht. Dat gebeurt wanneer Hij verschijnt aan de wereld. Paulus zal zijn als een van die rechtvaardigen die “stralen als de zon in het koninkrijk van hun Vader” (Mt 13:43). ‘Het koninkrijk van hun Vader’ is een andere naam voor dit ‘hemels koninkrijk’. ‘Stralen als de zon’ betekent stralen als de Heer Jezus, want Hij is de Zon (Ml 4:2a). Om Hem gaat het. Als Paulus aan Hem denkt, stijgt vanuit een koude en stinkende dodencel in Rome een lofprijzing op tot eer van Hem Die “[de] heerlijkheid tot in alle eeuwigheid” (2Tm 4:18b) waard is.
Hier zien we opnieuw wat het met ons doet als we denken aan de hemel, terwijl we ons op aarde in omstandigheden bevinden die moeiten en verdriet veroorzaken.
Een hemels vaderland
De schrijver van de brief aan de Hebreeën maakt in hoofdstuk 11 enkele opmerkingen over het geloofsleven van de aartsvaders (Hb 11:13-16). In hun manier van leven zien we dat ze geen thuis op aarde hadden, maar vreemdelingen en bijwoners waren. Zij toonden duidelijk dat zij op zoek waren naar een vaderland, dat wil zeggen dat zij ernaar verlangden.
De aartsvaders verlangden niet terug naar hun oude vaderland, maar zagen uit naar een hemels, dat is een beter vaderland. Door daarnaar te verlangen eerden ze God. Hij had hun iets beters beloofd en ze geloofden Hem op Zijn woord. Achter de beloften zagen ze Hem Die ze zal vervullen en Die er tegelijk het middelpunt van is.
Veel dingen in het christendom zijn ‘beter’ dan in het Jodendom, waaronder ook “een beter” vaderland. Het is het land waar de opgestane en verheerlijkte heiligen tot in eeuwigheid zullen verblijven. Dit hemelse vaderland is het duizendjarig vrederijk, en wel de hemelse zijde daarvan (Mt 13:43a). Dan is het de dag van de Heer Jezus, dat is de periode waarin Hij zal regeren. Naar die dag hebben de aartsvaders in het geloof uitgezien (Jh 8:56). Zij zagen in het geloof de werkelijkheid van regering, niet slechts iets vaags. Het heeft hun leven op aarde bepaald. In dat geloof mogen ook wij leven.
Het hemelse Jeruzalem
In de brief aan de Hebreeën komen we “het hemelse Jeruzalem” tegen (Hb 12:22). De schrijver houdt de Hebreeën voor dat zij genaderd zijn tot, dat wil zeggen binnengebracht in de sfeer van, “[de] stad van [de] levende God”, dat is “[het] hemelse Jeruzalem”. Het hemelse Jeruzalem staat tegenover het aardse Jeruzalem. De in Christus gelovige Hebreeën hebben het aardse Jeruzalem de rug toegekeerd en zijn al in het geloof het hemelse Jeruzalem binnengegaan.
Abraham en andere oudtestamentische gelovigen hebben die stad in het geloof van verre gezien. Dat vergezicht heeft hen bemoedigd (Hb 11:10,16). Het voorrecht van de Hebreeën – en van iedere gelovige van de gemeente – gaat daar bovenuit, want zij zijn er al toe genaderd. Zij kennen de sfeer ervan en genieten het voorrecht van de tegenwoordigheid van de levende God. Die stad is het centrum van de regering over de aarde, die nu nog niet openlijk wordt uitgeoefend, maar straks werkelijkheid zal zijn. In die stad heeft de dood geen ingang, wat wel het geval is in het aardse Jeruzalem en ook in het vrederijk.
Een deur geopend in de hemel
Vanaf Openbaring 4 zijn alle ware gelovigen vanaf Adam, dat wil zeggen zij die van Christus zijn, door de Heer Jezus opgenomen in de hemel (1Th 4:15-18). Dat is het moment waarop Johannes een geopende deur in de hemel ziet. De deur wordt niet geopend, zoals in Ezechiël 1 en Mattheüs 3 (Ez 1:1; Mt 3:16), maar is open. Tot aan het kruis was de hemel gesloten en werd voor een moment geopend. Na het kruis, in het Nieuwe Testament, zien we: de hemel staat open.
Door het offer van de Heer Jezus is het voorhangsel in de tempel in Jeruzalem van boven naar beneden, dat wil zeggen dat God het vanuit de hemel doet, in tweeën gescheurd (Mt 27:51). Stéfanus keek in een geopende hemel (Hd 7:55,56). In de hemel heeft God ook een tempel die Hij heeft geopend, wat aangeeft dat de toegang tot Hem open is.
De Heer Jezus roept Johannes op om in de hemel te komen en van daaruit alles te zien wat op aarde gaat gebeuren (Op 4:1). In de volgende hoofdstukken beschrijft hij veel dingen die hij in de hemel heeft gezien. Daarom kunnen wij ervaren hoe het daar is, en mogen wij over de schouder van Johannes meekijken. Enkele dingen zullen we nader bekijken, opdat het ons leven op aarde zal besturen.
Het eerste wat Johannes in de hemel ziet, is “een troon” (Op 4:2). Hij ziet ook Iemand Die erop zit. Dat is de verheerlijkte Zoon des mensen, Die heel het oordeel van de Vader in handen heeft gekregen (Jh 5:22,27). We staan in de troonzaal, waar geregeerd en rechtgesproken wordt. Dit is de plaats van handeling voor alles wat dit boek ons verder laat zien. De troon “stond”. Dat geeft de stabiliteit en onwankelbaarheid van het Goddelijk gezag aan, in tegenstelling tot alle aardse wankelbare en wisselbare tronen.
Hij staat “in de hemel” en daardoor boven alle aardse tronen. De feitelijke regering vindt plaats in de hemel. Dat besef is een bemoediging voor ieder die als gelovige lijdt onder goddeloze machthebbers of bij het zien van de opstand tegen God. David neemt de toevlucht tot de troon van God als hij ziet dat de fundamenten worden omvergehaald: “Voorzeker, de fundamenten worden omvergehaald! Wat [kan] de rechtvaardige dan doen? De HEERE is in Zijn heilig paleis, de troon van de HEERE staat in de hemel” (Ps 11:3-4a).
We zien dat vandaag in de samenleving om ons heen. Als er niet meer naar Gods rechten en wetten wordt geluisterd, als er geen rekening meer met Hem wordt gehouden, ontstaat de chaos waarin de samenleving zich nu bevindt. Wat moet de rechtvaardige doen als dat de situatie is? Hij kan in geloof naar boven kijken, boven alles uit, naar de HEERE in de hemel, waar Zijn troon staat. Hij beseft dat de ware regering in de hemel zetelt, onaantastbaar voor alle gewoel op aarde. De regering over de aarde wordt vanaf de troon in de hemel uitgeoefend, al denkt de mens dat hij zelf de touwtjes in handen heeft.
De tempel geopend in de hemel (I)
In Openbaring 11 lezen we: “En de tempel van God in de hemel werd geopend en de ark van Zijn verbond werd gezien in Zijn tempel” (Op 11:19a). Hier zien we dat er in de hemel een tempel is. De tempel op aarde is daarvan een afbeelding, zoals de hele aardse tabernakel met zijn dienst “zinnebeelden” zijn “van de dingen die in de hemelen zijn” (Hb 9:23a). Wat we op aarde zien, is een voorstelling van de echte, de ware “hemelse dingen” (Hb 9:23b).
In de tempel in de hemel is ook de ark van Gods verbond. De ark is het symbool van de troon van God. God troont tussen de cherubs op de ark van het verbond (Ex 25:18-20; 1Sm 4:4; 2Sm 6:2; Ps 80:2; Js 37:16). Cherubs waken over de heiligheid van God en zijn de uitvoerders van Zijn oordeel (Gn 3:24).
De tempel is Gods woonplaats te midden van Zijn volk. De ark van het verbond herinnert eraan dat God trouw is aan Zijn verbond met Zijn volk. De tempel in de hemel vormt een scherp contrast met wat op hetzelfde moment plaatsvindt in de tempel op aarde. Die wordt op afschuwelijke wijze door de antichrist ontheiligd. God is zeer ontstemd over wat er op aarde gebeurt. De “bliksemstralen, stemmen, donderslagen, aardbeving en grote hagel” geven daar op indringende wijze uiting aan (Op 11:19b; vgl. Op 4:5).
De tempel geopend in de hemel (II)
In Openbaring 15 ziet Johannes, en wij met hem, eenzelfde tafereel: de tempel in de hemel wordt geopend en daaruit komen oordelen. Eerst ziet hij dat “de tempel van de tabernakel van het getuigenis in de hemel werd geopend” (Op 15:5). We kijken in de tempel, de woonplaats van Gods heiligheid. Deze woonplaats wordt hier nauw verbonden met de tabernakel, die genoemd wordt “de tabernakel van het getuigenis” (Ex 25:22; Nm 10:11). De tabernakel was Gods verplaatsbare woning tijdens de reis van Israël door de woestijn.
In het binnenste van de tabernakel was de ark, en in de ark lagen de twee stenen tafelen van de wet. De twee stenen tafelen zijn ‘het getuigenis’. We kijken hier, om zo te zeggen, in het diepste binnenste, het hart van de hemel. Dat is, zoals eerder gezegd, de Heer Jezus. De ark is een beeld van Hem. Hij zei in Zijn leven op aarde tegen God: “Uw wet [draag Ik] diep in Mijn binnenste” (Ps 40:9b).
Uit de tempel komen “zeven engelen” (Op 15:6). Ze hebben “de zeven plagen”. Vervolgens komt “een van de vier levende wezens” naar voren. De levende wezens zijn, net als de cherubs, nauw verbonden aan de troon van God (Op 4:6-7), de plaats waar recht wordt gesproken en vanwaar het recht uitgaat. Een van hen geeft aan ieder van de engelen een gouden schaal. Elke schaal is “vol met de grimmigheid van God”.
Als de schalen zijn uitgedeeld, wordt “de tempel … vervuld met rook”. Dit is niet de rook van de heerlijkheid van God waarmee de tabernakel en de tempel op aarde werden vervuld (Ex 40:34-35; 1Kn 8:10-12; vgl. Js 6:4). Dit keer gaat het om Gods heerlijkheid die in het oordeel wordt getoond en waarin Zijn macht zichtbaar wordt. Door de rook is het niet langer mogelijk de tempel binnen te gaan om voorbede te doen (vgl. Kl 3:44). De tijd van voorbede is voorbij.
De heilige stad, Jeruzalem
Wanneer Johannes in de Geest wordt weggevoerd om de bruid, de vrouw van het Lam, te zien (Op 21:9), wordt hem “de heilige stad, Jeruzalem, die uit de hemel neerdaalde van God” getoond. De gemeente is de woonplaats van God. Van daaruit gaat zegen naar de aarde, zowel in het vrederijk (Op 21:9) als in de eeuwigheid (Op 21:2).
De gemeente is “de heilige stad”, de stad die God voor Zichzelf apart heeft gezet om Zijn stad, Zijn woonplaats te zijn. Het is de stad met de naam “Jeruzalem”, wat ‘grondslag van de vrede’ betekent. In en door de gemeente zal de naam van de stad zijn betekenis waarmaken. De stad is zowel de woonplaats van God als de plaats waar Zijn troon staat. Daardoor is de stad ook het centrum van waaruit Hij regeert en bestuurt tot zegen van de mensen.
Een nieuwe hemel
Nadat alle kwaad en alle kwaaddoeners hun eeuwige, onveranderlijke, vreselijke bestemming hebben gekregen (Op 20:10-15), wordt de blik van Johannes gericht op een “nieuwe hemel” en een “nieuwe aarde” (Op 21:1). “De eerste hemel en de eerste aarde” zijn weggevlucht (Op 20:11), ze hebben hun tijd gehad en zijn door vuur vergaan (2Pt 3:7,12). Daardoor is er plaats gekomen voor een nieuwe hemel en een nieuwe aarde.
“Uit de nieuwe hemel” daalt “de heilige stad, het nieuwe Jeruzalem” neer “van God” (Op 21:2). De nieuwe hemel is geen vervanging van de oude door deze te veranderen of te verbeteren, maar de nieuwe hemel heeft nooit eerder bestaan.
Dit nieuwe Jeruzalem moet worden onderscheiden van het hemelse Jeruzalem (Hb 12:22). Met het hemelse Jeruzalem wordt de woonplaats van alle hemelse heiligen bedoeld. Het is de hemelse hoofdstad van waaruit tijdens het vrederijk wordt geregeerd. Het is het regeringscentrum waarin gelovigen uit het Oude Testament en het Nieuwe Testament hun plaats en taak hebben. Het nieuwe Jeruzalem bestaat alleen uit hen die de gemeente van de levende God zijn, de woonplaats van God in de Geest.
Nieuwe hemelen
Petrus schrijft in zijn tweede brief over “nieuwe hemelen” (2Pt 3:13). Het zijn hemelen van een nieuwe soort, waarvan niets aan de zonde herinnert, in tegenstelling tot de oude hemelen die vergaan en als een kleed verouderen (Hb 1:10-12a). Wat uit de nieuwe hemelen voor de nieuwe aarde voortkomt, past bij de nieuwe aarde die dezelfde kwaliteit van eeuwige nieuwheid heeft. De zonde zal er nooit meer enige invloed op kunnen uitoefenen, want die is uit het heelal weggedaan door het Lam van God (Jh 1:29). Hij heeft de zonde afgeschaft of tenietgedaan door het slachtoffer van Zichzelf (Hb 9:26).
Petrus verbindt daaraan direct onze praktijk. Als we leven in de verwachting van dat volkomen nieuwe, zal ons dat ijverig maken om, terwijl we nog op aarde zijn, “onbesmet en onberispelijk” en “in vrede” voor de Heer te leven (2Pt 3:14). Dat betekent dat de Heer Jezus in ons leven te zien zal zijn. Hij was op aarde en is nu de volmaakt onbesmette en onberispelijke Mens. Hij is het centrum van het heelal, van de hemel. Hij wil nu al het centrum van ons leven zijn. Dat zal zo zijn als wij ‘het hart van de hemel’, Christus, het gezag over elk terrein van ons leven geven.
* https://www.kingcomments.com/nl/onderwerpen/toekomst/de-hel