Er zijn naar aanleiding van de Bijbelstudiedag 14-02-2026 over Daniël 5-8 enkele vragen binnengekomen. Die beantwoord ik naar mijn beste weten aan de hand van de Schrift. Het is aan de lezer te onderzoeken of dat zo is. Van de lezingen zijn video-opnames gemaakt. Die kunnen op mijn YouTube kanaal worden beluisterd: https://youtube.com/@Ger.de.Koning
Vraag 1
Waaruit blijkt dat de tijdaanduiding in Daniël 7:25 “een tijd, tijden en een halve tijd” staat voor drie-en-een-half jaar en dat hiermee de tijd van de grote verdrukking wordt bedoeld?
Antwoord
Voor het antwoord ga ik uit van een overzicht dat J.G. Fijnvandraat op zijn website heeft staan, waaraan ik enkele opmerkingen toevoeg.
In Mattheüs 24:15-27 spreekt de Heer Jezus over “een grote verdrukking” (Mt 24:21). Om de ernst van de situatie in de dagen die aan Zijn wederkomst naar de aarde voorafgaan te benadrukken wijst de Heer op wat gesproken is door de profeet Daniël (Mt 24:15). Hij doelt daarmee op gedeelten in het boek Daniël die ons brengen tot de laatste dagen (Dn 9:27; 11:31; 12:11), of de tijd van het einde (Dn 11:40). De plaats waar zich zal afspelen waarover de Heer hier spreekt, is Judéa, dat is Jeruzalem en omgeving. De “heilige plaats” is de tempel in Jeruzalem. Daar zal “de gruwel van de verwoesting” staan.
Een gruwel is een afgodsbeeld. “De gruwel van de verwoesting” wil zeggen dat het afgodsbeeld verwoesting zal veroorzaken. Vanwege dat afgodsbeeld zal God grote rampspoed over het land laten komen door de antichrist, de oprichter van het beeld, waarbij de antichrist zichzelf vertoont dat hij God is (2Th 2:4). Het beeld is het beeld van het beest uit de zee en stelt de dictator van het herstelde Romeinse rijk voor (Op 13:12-15).
De periode van de grote verdrukking is zo zwaar, dat die door de Heer wordt verkort (Mt 24:22). In het boek Daniël en het boek Openbaring wordt over deze periode geschreven. In beide boeken vinden we verschillende aanduidingen voor de tijdsduur ervan:
“Woorden tegen de Allerhoogste zal hij spreken, de heiligen van de Allerhoogste zal hij te gronde richten. Hij zal erop uit zijn bepaalde tijden en de wet te veranderen, en zij zullen in zijn hand worden overgegeven voor een tijd, tijden en een halve tijd” (Dn 7:25).
De context van dit vers is dat het hoofd van het herstelde Romeinse rijk, het beest uit de zee, de heiligen zal vervolgen en de eredienst in Jeruzalem zal veranderen gedurende “een tijd, tijden en een halve tijd”. “Een tijd” is een jaar. Met “tijden” wordt een verdubbeling bedoeld, dus twee jaar. En met “een halve tijd” wordt een half jaar bedoeld. Dat is samen drie-en-een-half jaar. Dat dit zo is, zien we als we soortgelijke uitdrukkingen nagaan. Hier volgen ze.
“Hij zal voor velen het verbond versterken, één week [lang]. Halverwege de week zal Hij slachtoffer en graanoffer doen ophouden” (Dn 9:27).
Met “één week” worden zeven jaren bedoeld (hierover meer bij de bestudering van Daniël 9:24-27). Halverwege die week, dat wil zeggen na drie-en-een-half jaar, zal de gruwel van de verwoesting in de tempel van God worden geplaatst (Mt 24:15). Dat veroorzaakt gedurende de tweede helft van die week, dat wil zeggen voor een periode van drie-en-een-half jaar een grote verdrukking.
“Toen hoorde ik de Man gekleed in linnen, Die Zich boven het water van de rivier bevond, en Hij hief Zijn rechter- en Zijn linkerhand op naar de hemel en zwoer bij Hem Die eeuwig leeft: Na een vastgestelde tijd, vastgestelde tijden en een helft, wanneer Hij er een einde aan gemaakt zal hebben om de macht van het heilige volk stuk te slaan, zal er aan al deze dingen een einde komen (Dn 12:7).
Dit komt overeen met het hierboven vermelde Daniël 7:25.
“En de voorhof die buiten de tempel is, verwerp die en meet die niet, want hij is aan de naties gegeven, en zij zullen de heilige stad vertreden tweeënveertig maanden lang” (Op 11:2).
In Openbaring 11 gaat het over Jeruzalem dat gedurende een bepaalde periode door de naties, de heidenvolken, vertreden zal worden. Daar wordt een tijdsduur van “tweeënveertig maanden” aan verbonden. De Joodse maand telt 30 dagen en het jaar wordt op 360 dagen gerekend. De 42 maanden zijn dezelfde periode van drie-en-een-half jaar (42 m/12 m = 3,5 jr).
“En ik zal aan Mijn twee getuigen [macht] geven en zij zullen profeteren twaalfhonderdzestig dagen lang, met zakken bekleed” (Op 11:3).
In diezelfde tijd heeft God getuigen die voor Zijn Naam opkomen. Deze zullen 1260 dagen profeteren. Dat is ook weer diezelfde periode van drie-en-een-half jaar (1260 d/360 d=3,5 jr).
“En de vrouw vluchtte de woestijn in, waar zij een plaats heeft, door God bereid, opdat men haar twaalfhonderdzestig dagen voedde” (Op 12:6).
In deze periode van grote verdrukking zal het gelovig overblijfsel van Israël (hier voorgesteld als een barende vrouw, Op 12:1-5) vreselijk vervolgd worden. De Heer zal echter voor Zijn volk zorgen gedurende heel die tijd van 1260 dagen=3,5 jaar (het aantal dagen/jaren dat ook in het vorige citaat wordt genoemd).
“En aan de vrouw werden de twee vleugels van de grote arend gegeven, opdat zij in de woestijn zou vliegen naar haar plaats, waar zij gevoed wordt een tijd en tijden en een halve tijd, buiten [het] gezicht van de slang” (Op 12:14).
Dit is een herhaling van het hiervoor geciteerde Openbaring 12:6, maar nu luidt de tijdaanduiding “een tijd en tijden en een halve tijd”. Dat maakt duidelijk dat “een tijd” één jaar is, “tijden” twee jaren zijn en “een halve tijd” een half jaar is.
“En hem werd een mond gegeven die grote dingen en lasteringen sprak; en hem werd gezag gegeven om te handelen, tweeënveertig maanden” (Op 13:5).
Dit vers spreekt net als Daniël 7:25 over het optreden van de dictator van het herstelde Romeinse wereldrijk, dat in Daniël 7, evenals in Daniël 2, als het vierde rijk beschreven wordt. De duur van zijn optreden tegen de heiligen wordt hier aangegeven met de term “tweeënveertig maanden”. Dat bewijst nog eens dat de uitleg van “een tijd en tijden en een halve tijd”, zoals bij Daniël 7:25 is gegeven, namelijk dat het een periode van drie-en-een-half jaar aanduidt, juist is.
Vraag 2
Je sprak over het belang van het kennen en begrijpen van de profetieën, omdat ze ons een blik op de toekomst geven. Maar in hoeverre moeten we ze proberen te begrijpen, te interpreteren en toe te passen op de tijd waarin wij nu leven? Is het ook niet zo dat veel christenen hierin doorslaan en zich overmatig bezighouden met dingen die wij niet zullen of hoeven te weten zolang we hier op aarde zijn? Dan doel ik op voorbeelden als een precieze duiding van het jaartal of datum van de eindtijd, of wie de antichrist zal zijn, et cetera. Is er een duidelijk onderscheid in wat we wel of niet moeten onderzoeken en weten?
Antwoord
Het verlangen om de profetieën te kennen en te begrijpen hangt samen met de mate van liefde voor de Heer Jezus, “want het getuigenis van Jezus is de geest van de profetie” (Op 19:10b). ‘Het getuigenis van Jezus’ kan betekenen het getuigenis ‘aangaande’ Jezus, dat wil zeggen het getuigenis waarbij het om Jezus gaat, het getuigenis waarvan Hij de inhoud is. Het kan ook betekenen het getuigenis ‘komend van’ of ‘uitgaande van’ Jezus, dat wil zeggen het getuigenis dat Hij heeft afgelegd toen Hij op aarde was en dat Hij nog steeds aflegt, maar dan door Zijn dienaars.
In de zin “want het getuigenis van Jezus is de geest van de profetie”, wordt een belangrijk kenmerk van de profetie gegeven. Profetie is niet slechts een voorzeggen van de toekomst. Allerlei dingen weten over de toekomst kan wel voedsel zijn voor ons intellect, maar het is echt geen voedsel voor ons hart. Echt nut van een studie van de toekomst die de Bijbel ons vertelt, hebben we alleen als we zien dat het in de profetie om de Heer Jezus gaat.
De naam ‘Jezus’ – zonder toevoeging van ‘Heer’ of ‘Christus’ – verwijst naar Hem als de vernederde Mens Die Hij op aarde was. De profetie laat zien dat Hij Die eens in vernedering op aarde was en verworpen werd, straks in heerlijkheid zal regeren. Het is dezelfde Persoon. In de profetie gaat het allemaal en alleen om Hem en niet om kennis van gebeurtenissen.
Voor een gezonde studie van de profetie geeft Petrus in zijn tweede brief nog een belangrijke aanwijzing: “Weet dit eerst, dat geen profetie van [de] Schrift een eigen uitlegging heeft” (2Pt 1:20). Hij begint met “weet dit eerst” en stelt vervolgens “dat geen profetie van [de] Schrift een eigen uitlegging heeft”. Hiermee zegt hij dat het belangrijkste punt bij het bestuderen van de profetie is, dat je een profetie niet op zichzelf bekijkt, maar altijd in verbinding met andere profetieën.
Petrus geeft hiermee de belangrijke regel dat je altijd Schrift met Schrift moet vergelijken. Als je dat niet doet, ga je het profetische woord manipuleren of je gaat allerlei dwaze berekeningen maken of theorieën bedenken over de vervulling ervan. Maar de vervulling van de profetieën gebeurt op de wijze die in het Woord wordt vermeld en niet volgens eigen opvattingen. De sleutel voor het juist begrijpen van de profetieën is Christus, Zijn lijden en de heerlijkheid daarna. Zoals al opgemerkt, is het getuigenis van Jezus de geest van de profetie (Op 19:10b).
Daarom moet het feit dat, zoals je zegt, ‘veel christenen … zich overmatig bezighouden met dingen die wij niet zullen of hoeven te weten zolang we hier op aarde zijn’, ons niet weerhouden om ons in de profetie te verdiepen. De gezonde kennis die we daardoor van de toekomst opdoen, zal bewerken dat we ons in heiligheid afzonderen van de wereld om voor de Heer Jezus te leven en van Hem in de wereld te getuigen als Degene Die komt. We zullen daaraan de blijde boodschap verbinden dat wie zich bekeert tot God en gelooft in de Heer Jezus niet in het oordeel komt.
Vraag 3
Wat betreft de 10 (islamitische?) rijken of heersers rondom Israël, die het zullen aanvallen en Jeruzalem gaan innemen. Je zei dat (als ik het me goed herinner) ze geholpen gaan worden door Rusland. Ook sprak je over andere grootmachten zoals Europa en de rest van het Westen (Amerika, Australië).
Maar welke rol denk je dat het uiterst antichristelijke en antigodsdienstige China op het wereldtoneel gaat spelen? En waarom lezen we vrijwel nergens iets over China in de Schrift terwijl het nu zo’n enorme grootmacht is? We lezen misschien ook niet per se over Amerika, wat nu ook een grootmacht is, maar dat koppelde je aan “het Westen”, als verbonden met Europa. Dat is China absoluut niet. Moeten we China en Rusland dan misschien zien als Gog en Magog, volken die vijandig tegen God zullen opstaan? Hoewel dat dan weer pas na het duizendjarig vrederijk zou gebeuren als de satan hen verzamelt om tegen de hemellegers te strijden. Afijn, je snapt mijn verwarring wellicht.
Antwoord
In Openbaring 16 lezen we over de koningen die van de opgang van de zon komen: “En de zesde goot zijn schaal uit op de grote rivier de Eufraat, en zijn water droogde op, opdat de weg van de koningen die van [de] zonsopgang komen, bereid zou worden” (Op 16:12).
Dit is het zesde schaaloordeel. Dat oordeel betreft “de koningen van het hele aardrijk”, dat wil zeggen alle Godvijandige volken (Op 16:14). Geesten van demonen werken in deze volken om hen te verzamelen om oorlog te voeren tegen God. Maar in feite is het God Die dit doet, Hij gebruikt deze demonen: “En Hij verzamelde hen op de plaats die in het Hebreeuws Harmagedon heet” (Op 16:16). In Harmagedon, dat ‘berg van de troepenverzameling’ betekent, rekent God af met de vijandige koningen “van het hele aardrijk” af. Onder die koningen vallen ook “de koningen die van [de] zonsopgang komen”, waarbij we kunnen denken aan landen als India, Indonesië en China. Dat zijn in onze ogen indrukwekkende landen, met veel macht, maar voor Hem zijn zij “als een druppel aan een emmer, als een stofje op de weegschaal” (Js 40:15), een randverschijnsel in de profetie.
Dan nog je vraag: ‘Moeten we China en Rusland dan misschien zien als Gog en Magog, volken die vijandig tegen God zullen opstaan?’ China en Rusland zoeken op dit moment wel toenadering tot elkaar, ze helpen elkaar als tegenwicht voor de dreiging die er voor hen van het Westen uitgaat. Maar ze zullen afzonderlijke machten blijven, want God zal elk van deze landen los van elkaar oordelen. Het oordeel over Rusland wordt, anders dan dat over China, door God op een bijzondere wijze voltrokken. Dit oordeel wordt in Ezechiël 38-39 uitvoerig beschreven.
Uit wat in deze hoofdstukken over Gog en Magog wordt gezegd, blijkt dat Gog zich in het land van Magog bevindt en oppervorst is van Mesech en Tubal (Ez 38:2). Ook moeten we deze Gog en Magog niet vereenzelvigen met de Gog en Magog die in Openbaring 20 worden genoemd. Daar zijn het machten die na het vrederijk de opstand organiseren (Op 20:7-9), terwijl het in Ezechiël gaat om een aanval in het begin van het vrederijk. De opstand in Openbaring 20 komt ook niet alleen uit het uiterste noorden, zoals in Ezechiël (Ez 38:6), maar vanuit alle hoeken van de aarde en over de hele breedte ervan (Op 20:7-9).
Wie hier verder studie van wil maken, raad ik aan de commentaren op de genoemde hoofdstukken uit Ezechiël en Openbaring te lezen