Een koninkrijk is een gebied waarover een koning regeert. Hij heeft gezag over alles en iedereen in dat gebied. De naam koninkrijk der hemelen komt alleen voor in het evangelie naar Mattheüs. De andere evangeliën gebruiken uitsluitend de naam koninkrijk van God, terwijl deze naam ook af en toe bij Mattheüs voorkomt.
Wat is het koninkrijk van God?
Een koninkrijk is een gebied waarover een koning regeert. Hij heeft gezag over alles en iedereen in dat gebied. De naam koninkrijk der hemelen komt alleen voor in het evangelie naar Mattheüs. De andere evangeliën gebruiken uitsluitend de naam koninkrijk van God, terwijl deze naam ook af en toe bij Mattheüs voorkomt.
Het ‘koninkrijk der hemelen’ is een nieuwtestamentische term, maar heeft zijn wortels in het Oude Testament. In Daniël 4 moest Nebukadnezar door zijn verblijf tussen de dieren leren dat ‘de hemel heerst of regeert’ (Dn 4:26), dat er een eeuwige heerschappij is (Dn 4:34) en dat er een Allerhoogste Heerser is (Dn 4:32): de Mensenzoon, Christus (Dn 7:13-14; Mt 26:64-66; 24:30).
Uit een vergelijking tussen het gebruik van beide namen in het evangelie naar Mattheüs en de andere evangeliën blijkt dat het om hetzelfde koninkrijk gaat. De naam koninkrijk der hemelen legt de nadruk op de sfeer van gezag in dat koninkrijk, dat wil zeggen dat er wordt geregeerd in overeenstemming met de hemel (zie vorige alinea). We horen dat in de bede: Moge Uw wil geschieden, zoals in de hemel, zo ook op aarde (Mt 6:10). Bij de naam koninkrijk van God ligt de nadruk vooral op Degene van Wie het koninkrijk is: het is van God.
Kenmerken van het koninkrijk van God
We kunnen van het koninkrijk van God drie kenmerken noemen:
1. Het is van God.
2. De regering over dat koninkrijk is door God gegeven aan de Mens Christus Jezus als Zijn Koning.
3. Allen die Christus als Koning belijden, zijn daarin onderdanen, discipelen. Dat wil voor christenen zeggen dat zij Hem als Heer belijden (Rm 10:8b-11).
Hieraan moet worden toegevoegd dat christenen ware discipelen kunnen zijn, maar ook valse. Ware discipelen hebben leven uit God, zij zijn opnieuw geboren, waardoor zij het koninkrijk van God zien en binnengaan (Jh 3:3,5). Valse christenen, naamchristenen, christenen die alleen de naam ‘christen’ dragen, maar niet opnieuw geboren zijn, belijden Hem alleen met hun mond als Heer. Zij zeggen met hun mond “Heer, Heer”, maar gaan het koninkrijk in zijn openbare vorm in het 1000-jarig vrederijk niet binnen. De Heer Jezus zegt tegen hen dat ze van Hem moeten weggaan, omdat Hij hen niet kent. Er is geen levensverbinding met Hem. Dat blijkt uit hun daden. Hij noemt hen “werkers van de wetteloosheid” (Mt 7:21-23).
Drie fasen
Het koninkrijk van God kent drie fasen:
1. De aankondiging van het koninkrijk. Dit betreft de eerste komst van de Koning, wanneer Hij als Mens, in vernedering, op aarde is om Zijn koninkrijk te vestigen.
2. De verborgen vorm van het koninkrijk. Omdat de Koning werd verworpen, kon het koninkrijk niet openbaar in macht en majesteit worden gevestigd. De Koning is niet meer op aarde, maar in de hemel. Toch is Zijn koninkrijk op aarde, maar, net als Hij, in een verborgen, niet uiterlijk waarneembare vorm. Het is aanwezig in de onderdanen op aarde. Zij vormen wat de christenheid wordt genoemd, waarin echte gelovigen en naambelijders zijn.
3. De vestiging van het koninkrijk. Bij de tweede komst van de Koning, Zijn wederkomst in heerlijkheid en majesteit, vestigt Hij het koninkrijk op aarde. Hij oordeelt alle ongerechtigheid en regeert dan over de hemel en de aarde. Dit is het 1000-jarig vrederijk.
Het plan van God
Vanaf de grondlegging van de wereld had God het plan om alles op de aarde en in de hemel samen te brengen onder de voeten van een Mens: de Heer Jezus. We zien dat voorgesteld in Genesis 1 en 2. De eerste mens, de eerste Adam, heeft gefaald. Hij gaf zijn koninkrijk, de oude schepping, aan de duivel, die nu de overste van de wereld is (Jh 14:30; Lk 4:5,6).
De tweede Mens, de laatste Adam (1Ko 15:45-47), faalt niet. Hij overwint de duivel als de Zoon des mensen in de woestijn en ontneemt hem zijn bezittingen (Lk 4:5-8; 11:22). Hij triomfeert door het kruis als een Lam over de duivel (Ko 2:14-15). Daardoor herkrijgt Hij het recht op de schepping (Op 5:1-14), waarover Hij in het vrederijk zal regeren, terwijl Hem nu al alle gezag in de hemel en op de aarde is gegeven (Mt 28:20).
Toen Hij de eerste keer kwam, werd Zijn komst aangekondigd door Johannes de doper. Hij was de voorloper, de heraut van de Koning (Lk 1:17). Johannes predikte dat het volk zich moest bekeren, want het koninkrijk was nabijgekomen (Mt 3:2). Zijn prediking bereidde de harten voor om de Koning te ontvangen (Lk 3:2-9). De Koning, de Heer Jezus, kwam en predikte ook dat het koninkrijk nabijgekomen was (Mt 4:17). Het koninkrijk was zelfs in Zijn Persoon midden onder het volk aanwezig. Waar de Koning is, daar is het koninkrijk (Lk 17:21).
Omdat de Koning verworpen werd, kon het koninkrijk niet gevestigd worden. Toch gaat Gods plan door, eerst door de vestiging van een ‘verborgen’ koninkrijk. Het koninkrijk wordt nu op aarde gevestigd, niet in een openbare, zichtbaar waarneembare vorm, maar in verborgenheid. Het is verborgen omdat de Koning niet zichtbaar is, maar verborgen. Hij is nu in de hemel, verborgen voor de wereld, maar waarneembaar voor het geloof.
Deze vorm van het koninkrijk brengt voor de gelovige verdrukking door de wereld met zich mee en vraagt om volharding (Jh 14:33; Hd 14:22; Op 1:9). De wereld wil niets weten van een andere koning dan de keizer, namelijk Jezus (Hd 17:7). Van een volgeling van de Heer Jezus wordt gevraagd dat hij de goede belijdenis betuigt (1Tm 6:13; Jh 18:36; Lk 23:42) en God waardig wandelt (1Th 2:12). Iets dergelijks horen we in de raad die de moeder van Lemuel (= toegewijd aan God of toebehorend aan God) geeft aan haar zoon, die koning is (Sp 31:1-5). Wij doen er goed aan de wijze raad van deze moeder te bestuderen en ter harte te nemen. Wij zijn ook koningen, nog zonder regeringsbevoegdheid (1Ko 4:8), maar we hebben wel de waardigheid ervan (Op 1:6; 1Pt 2:9).
Jezus is Heer
In Romeinen 10 lezen we: “Dit is het woord van het geloof dat wij prediken: dat, als u met uw mond Jezus als Heer zult belijden en met uw hart geloven dat God Hem uit [de] doden heeft opgewekt, u behouden zult worden” (Rm 10:8b-9). Er staat dat we met ons hart moeten geloven dat God Hem uit de doden heeft opgewekt. Dat betekent dat het koninkrijk van God een gebied is waar de opgestane Heer regeert. Het is een ander gebied dan waar we ons bevonden toen we nog niet bekeerd waren. Toen bevonden we ons in het gezagsgebied van de duivel, waar hij de macht had (Hd 26:18).
De naam “Heer” komt overeen met Zijn titel van Koning. In het Nieuwe Testament spreken de gelovigen de Heer Jezus nergens aan met ‘Koning’, maar overal met ‘Heer’. Toch spreekt het Nieuwe Testament regelmatig over Hem als Koning. Beide namen, Heer en Koning, geven aan dat Hij gezag heeft.
Ik herinner me goed dat ik mijn leven aan de Heer gaf. Op een bepaald moment, ik was toen rond de twintig, realiseerde ik me dat ik een huichelaar was. Ik wilde wel de Heer Jezus in mijn leven op aarde toelaten om niet naar de hel te gaan, maar mijn leven aan Hem als Heer ter beschikking stellen deed ik niet. Toen tot mij doordrong dat de Heer Jezus recht op mij heeft, 24 uur per dag, 7 dagen per week, over elke vezel van mijn lichaam, over elke cent die ik heb, een totaal recht, werd mijn leven anders. De Bijbel werd een ander boek. Elk woord erin ging leven. Mijn leven kreeg zijn ware betekenis: leven voor de Heer Jezus.
Een andere Koning: Jezus
De pasbekeerde gelovigen in Thessalonika hebben in korte tijd veel onderwijs gekregen over het koninkrijk van God. Dat betekent dat dit onderwijs moet worden gegeven aan hen die pas tot geloof zijn gekomen. In Handelingen 17 wordt verteld dat Paulus zich in de synagoge in Thessalonika “drie sabbatten lang” met Joden “uit de Schriften” onderhield, “terwijl hij uitlegde en aantoonde dat de Christus moest lijden en opstaan uit [de] doden, en dat Deze de Christus is, ‘<deze> Jezus, Die ik u verkondig’” (Hd 17:1-3). Dat bevalt de jaloerse Joden niet. Zij beschuldigen de verkondigers van het evangelie ervan dat ze tegen de verordeningen van de keizer handelen “door te zeggen dat er een andere Koning is: Jezus” (Hd 17:4-7).
Het woord “andere” betekent ‘een andere van een ander soort’, dus niet van het soort van Caesar. Het betreft niet slechts een andere persoon dan Caesar, maar Iemand Die naar Zijn wezen anders is. Als Hij Iemand is Die alle macht heeft in hemel en op aarde, vormt Hij de grootste bedreiging voor het keizerrijk die maar denkbaar is. We zien hier, net als toen de Heer Jezus voor Pilatus stond, dat het gaat om de tegenstelling tussen Christus en het Romeinse rijk, wat ook in de eindtijd te zien zal zijn.
De beschuldiging luidt dat zij het aardrijk in oproer brengen (Hd 17:6). De beschuldigers geven daarmee onbedoeld getuigenis van de kracht van het christendom. Tegelijkertijd beweren ze dat het christendom staatsgevaarlijk is. Met zo'n beschuldiging krijgen bijbelgetrouwe christenen steeds vaker te maken. Zij worden al snel bestempeld als fundamentalisten, mensen die een gevaar voor de samenleving vormen.
Uit de beschuldiging blijkt dat Paulus en Silas over het koningschap van de Heer Jezus hebben gesproken. Dit koningschap staat ook centraal in de beide brieven aan de Thessalonicenzen die Paulus aan hen heeft geschreven. Hij noemt het in bijna elk hoofdstuk. Het koningschap van Christus betekent dat Hij een koninkrijk heeft. Dat koninkrijk is nu nog niet zichtbaar op aarde, maar het bestaat wel. Het is namelijk in de harten van hen die Hem als Heer over hun leven erkennen (Rm 14:17). Het zal echter ook openlijk op aarde gevestigd worden wanneer de Heer Jezus terugkeert uit de hemel en plaatsneemt op Zijn troon op aarde (Mt 25:31).
De Joden erkennen nog steeds liever de keizer als hun koning dan Jezus als hun Koning te aanvaarden. Ze zeiden immers al tegen Pilatus dat ze geen andere koning hadden dan de keizer (Jh 19:15b). In de eindtijd zal het afvallige volk die keuze bevestigen door de antichrist als hun messias te aanvaarden, samen met de dictator van het herstelde Romeinse rijk (Op 13:11; Op 13:1).
Paulus en Silas hebben de Thessalonicenzen gepredikt dat niet de keizer in Rome de macht heeft, maar “Jezus”. Als we iets van het koninkrijk van God willen begrijpen, moet dat diep tot ons doordringen. Dat is wat wij in de wereld mogen laten zien: er is een andere Koning. Zijn naam is “Jezus”. Overal waar die naam, zonder Heer of Christus, in de Schrift genoemd wordt, verwijst dat naar zijn leven op aarde, naar de vernedering die Hij hier heeft gekend. Kennen de mensen ons zo, dat wij Hem volgen, bij Hem horen, bij Hem die de vernederde mens op aarde was? Als wij dat consequent doen, zal dat tegenstand oproepen.
Mensen zijn vandaag de dag diep onder de indruk van de krachtige taal van regeringsleiders, van de enorme militaire, verwoestende kracht waarover ze beschikken. Maar hoe is onze Koning, onze Heer? Hij is op aarde geweest, in de grootst mogelijke vernedering. Hij is hier het Lam geworden en was in goedheid en nederigheid onder de mensen. Al zijn daden waren daden van zegen. En wat hebben ze met Hem gedaan? Ze hebben Hem verworpen en gedood. Als we consequent met Hem leven, moeten we er rekening mee houden dat dit ook met ons kan gebeuren. De Heer zegt: “Als zij Mij hebben vervolgd, zullen zij ook u vervolgen” (Jh 15:20).
Verdrukking, lijden en verwerping horen erbij. De Heer Jezus zegt: “In de wereld hebt u verdrukking” (Jh 16:33). In Handelingen 14 wordt tegen ons gezegd “dat wij door vele verdrukkingen het koninkrijk van God moeten binnengaan” (Hd 14:22). Verdrukking hoort bij de verborgen vorm van het koninkrijk van God waarin wij tijdens ons leven op aarde verkeren. Tegelijk zijn we op weg naar de openbare heerlijkheid van dat koninkrijk, waarin we dan mogen binnengaan.
We kunnen die toekomst dichterbij halen door ernaar uit te zien, terwijl we nu nog verdrukt worden. Als de toekomst van het koninkrijk in heerlijkheid voor ons leeft, willen we nu onderdanen zijn die de verworpen Koning in Zijn verwerping volgen. Er is geen heerlijkheid zonder lijden. We gaan, evenals de Koning, door lijden naar heerlijkheid (Rm 8:17b; Lk 24:26; 1Pt 1:11).
Het prediken van Christus, Die verheerlijkt is in de hemel, is voor de wereld een aanstoot en ergernis. Vertel maar eens aan je omgeving dat je je leven hebt onderworpen aan het gezag van Jezus Christus. Vertel maar eens dat de macht niet ligt in de handen van de wereldleiders, maar dat alle macht in hemel en op aarde door God gegeven is aan Hem Die door de wereld is veracht en gedood en nu in de hemel is. Vertel maar, net als de Thessalonicenzen toen hebben gedaan, dat je je hebt bekeerd en dat je voor Hem wilt leven en onder Zijn gezag je weg wilt gaan. Daar reageert de wereld op.
De Thessalonicenzen hebben, in navolging van wat de Heer Jezus deed voor Pontius Pilatus, de goede belijdenis afgelegd (1Tm 6:13). De Heer Jezus getuigt tegenover Pilatus dat Zijn koninkrijk nu niet van deze wereld is (Jh 18:36). Zijn koninkrijk zal nog komen. Hij zal dat oprichten bij Zijn wederkomst. De Thessalonicenzen belijden dat. De ware hoop van ieder die Jezus als Heer belijdt – en daarmee zegt een onderdaan van die Heer te zijn – is gericht op de wederkomst van Christus om Zijn koninkrijk op te richten.
Al deze dingen zijn niet alleen bedoeld voor gevorderde gelovigen. De Thessalonicenzen zijn pas bekeerd. Bij hen zie je de jeugdige frisheid van een levend geloof dat in alle omstandigheden op God vertrouwt. Het is iets om jaloers op te zijn. Hun voorbeeld is tegelijk beschamend en bemoedigend.
De goede belijdenis
Timotheüs krijgt van Paulus het bevel om de goede belijdenis te betuigen. Over het hoofd van Timotheüs heen wordt ook aan ons, die de verworpen Koning willen navolgen, dat bevel gegeven: “Ik beveel <je> voor God, Die alles in leven houdt, en voor Christus Jezus, Die voor Pontius Pilatus de goede belijdenis betuigd heeft” (1Tm 6:13).
Paulus brengt Timotheüs allereerst in de tegenwoordigheid van God. Hij stelt God voor als Degene “Die alles in leven houdt”. God is de Onderhouder van het leven (1Tm 4:10). Hij is ook de Bron van het leven (Ps 36:10). Wij mogen, net als Timotheüs, beseffen dat Hij ons alles geeft wat nodig is om als Zijn getuigen te functioneren.
Vervolgens brengt Paulus zijn jonge vriend in de tegenwoordigheid van de Heer Jezus. Ook Hij is volledig betrokken bij het getuigenis dat Zijn volgelingen afleggen. Hij is daarbij het volmaakte voorbeeld van het betuigen van de goede belijdenis. Daarvoor wijst Paulus op een bijzonder moment uit het leven van de Heer: het moment waarop de Heer duidelijk maakt waar het op aankomt bij het betuigen van de goede belijdenis, namelijk wanneer Hij voor Pontius Pilatus staat.
Pilatus vraagt Hem of Hij een Koning is. De Heer betuigt, of verzekert of verklaart plechtig, dat Hij dat is. Maar daar blijft het niet bij. Hij gaat verder. Hij verklaart dat, hoewel Hij een Koning is, Zijn koninkrijk nu niet van deze wereld is (Jh 18:36). Dat maakt Hem tot een verworpen Koning.
Dat is de enige goede belijdenis die van ons wordt verwacht; iets anders belijden is een valse belijdenis (vgl. Ps 16:4). We horen bij een koninkrijk dat niet van deze wereld is en bij een Koning Die verworpen is. Als we dit vasthouden en betuigen tegenover de wereld, zijn we waardige volgelingen van de Heer Jezus, naar wie Hij met welgevallen kijkt.
Wat het koninkrijk nu is
“Want het koninkrijk van God is niet eten en drinken, maar rechtvaardigheid, vrede en blijdschap in [de] Heilige Geest. Want wie Christus daarin dient, is voor God welbehaaglijk en bij de mensen beproefd” (Rm 14:17-18).
Net als in de koninkrijken van deze wereld is er ook in het koninkrijk van God sprake van een Koning en onderdanen. Alleen is het koninkrijk van God in deze tijd, de tijd van de gemeente, geen zichtbaar koninkrijk met een zichtbare Koning. Het is nu een verborgen koninkrijk met een verborgen Koning. De Heer Jezus is de Koning. In het Oude Testament komen we die naam vaak tegen. Maar de gelovigen van het Nieuwe Testament noemen Hem niet zo; dat lezen we nergens. Zij noemen Hem Heer. Zo spreekt het Nieuwe Testament steeds over Hem. Maar of Hij nu Koning of Heer genoemd wordt, in beide namen komt tot uiting dat Hij gezag uitoefent over Zijn onderdanen.
Dit gezag, Zijn regering, oefent de Heer Jezus uit vanuit de hemel, waar Hij nu is. In ons leven kunnen we laten zien dat Hij gezag over ons heeft door de Heilige Geest in ons te laten werken. Dat heeft voor ons de volgende gevolgen:
1. We zullen ‘rechtvaardig’ zijn in onze omgang met anderen.
2. We zullen de ‘vrede’ niet willen verstoren door onze eigen belangen na te jagen.
3. Als we zo omgaan met onze broeder, onze medeonderdaan in hetzelfde koninkrijk, zal er ‘blijdschap’ in ons hart zijn.
Op die manier leven is het echte dienen van Christus. Daarin vindt God Zijn welbehagen, en ook de mensen om ons heen zal het opvallen dat wij ons door andere regels laten leiden dan gebruikelijk is voor henzelf en de wereld om hen heen.
Het koninkrijk van de Zoon des mensen
Het koninkrijk van God wordt in verschillende samenstellingen genoemd. Dat toont de veelzijdigheid ervan en benadrukt zijn grootsheid.
De Heer Jezus noemt Zichzelf in de evangeliën vaak “de Zoon des mensen” en spreekt in die hoedanigheid over “Zijn koninkrijk” (Mt 13:41; 16:28). De titel Zoon des mensen, of Mensenzoon, spreekt zowel van Zijn verwerping als van Zijn heerlijkheid. Als Hij als “Zoon des mensen” over “Zijn koninkrijk” spreekt, wijst Hij vooruit naar Zijn openbare regering over hemel en aarde.
De verbinding tussen de Zoon des mensen en Zijn koninkrijk en koningschap wordt op schitterende wijze in Daniël 7 beschreven. We lezen daar: “[Verder] zag ik in de nachtvisioenen, en zie, er kwam met de wolken van de hemel Iemand als een Mensenzoon. Hij kwam tot de Oude van dagen en men deed Hem voor Zijn aangezicht naderbijkomen. Hem werd gegeven heerschappij, eer en koningschap, en alle volken, natiën en talen moesten Hem vereren. Zijn heerschappij is een eeuwige heerschappij, die Hem niet ontnomen zal worden, en Zijn koningschap zal niet te gronde gaan” (Dn 7:13-14).
Deze Mensenzoon is niemand anders dan de Heer Jezus. Wanneer Hij tegen de Raad zegt: “Ik zeg u evenwel: van nu aan zult u de Zoon des mensen zien zitten aan de rechterhand van de kracht en zien komen op de wolken van de hemel”, is dat voor de overpriesters en schriftgeleerden dé reden om Hem te veroordelen: “Hij heeft gelasterd; waarom hebben wij nog getuigen nodig? […] Hij is [de] dood schuldig” (Mt 26:64-66).
Deze verdorven leiders weten maar al te goed dat Hij dit vers uit Daniël 7 aanhaalt (Dn 7:13). Dat betekent voor hen – en terecht! – dat Hij Zichzelf tot Gods Zoon verklaart. Hun verdorvenheid blijkt echter uit het feit dat ze Hem op grond van dit getuigenis veroordelen. Dat wil zeggen dat de Heer Jezus wordt veroordeeld vanwege het getuigenis over de waarheid van Zijn eigen Persoon.
Dat in Daniël 7 met de Mensenzoon God Zelf wordt bedoeld, blijkt ook uit Zijn komst “met de wolken van de hemel”. Vaak gaat in het Oude Testament de komst van God tot Zijn volk, of tot een ander volk, gepaard met wolken (Ex 13:21; Dt 33:26; Js 19:1). Dat Hij Zich bedient van en omringt met wolken, vergroot de indruk van Zijn majesteit.
Als de Zoon des mensen God Zelf is, en dat is Hij, hoe kan Hij dan tot de Oude van dagen, Die toch ontegenzeglijk ook God is, komen en uit Zijn handen het koninkrijk ontvangen? God kan toch niet tot God komen om iets te ontvangen? Hier is een mysterie dat niet door menselijke logica te verklaren is. Dat heeft te maken met het onverklaarbare wonder van Christus in de heerlijkheid van Zijn Persoon sinds Hij Mens is geworden. Hij, de eeuwige God, de eeuwige Zoon, is Mens geworden, zonder op te houden de eeuwige God te zijn.
De evangeliën staan vol met bewijzen van de ondoorgrondelijkheid van Zijn Persoon. Een voorbeeld: Hij Die als waarachtig Mens vermoeid aan boord van een schip ligt te slapen, blijkt, als Hij wordt gewekt door bange discipelen, de waarachtige en almachtige God te zijn, Die de winden en golven met een machtwoord tot zwijgen brengt (Mk 4:38-39). De aandachtige lezer van de evangeliën zal dit voorbeeld met vele andere kunnen aanvullen. Over dit wonder van Zijn Persoon zegt de Heer Jezus: “Niemand kent de Zoon dan de Vader” (Mt 11:27a). Wat wij als mensen niet kunnen verklaren, kunnen we wel geloven en aanbidden.
Het koninkrijk van hun Vader / van Mijn Vader
“Dan zullen de rechtvaardigen stralen als de zon in het koninkrijk van hun Vader” (Mt 13:43).
De heerschappij van de Heer Jezus strekt zich uit over hemel en aarde (Mt 28:18). Hij heeft onderdanen in de hemel en op de aarde. “Het koninkrijk van hun Vader / van Mijn Vader” (Mt 13:43; 26:29) is de hemelse zijde van het koninkrijk. De Zoon des mensen is op aarde, maar tegelijk ook in de hemel (Jh 3:13). Op aarde zijn de aardse gelovigen met Hem verbonden en in de hemel zijn de gelovigen die zich daar bevinden met Hem verbonden. “De rechtvaardigen”, dat zijn de hemelse gelovigen, stralen aan het firmament naast “de Zon van de gerechtigheid”, dat is de Heer Jezus (Ml 4:2), terwijl de gelovigen op aarde zich koesteren in het licht en de warmte daarvan.
Het koninkrijk van Christus en van God
Deze uitdrukking komt voor in Efeziërs 5: “Want dit weet en erkent u, dat geen hoereerder, onreine of hebzuchtige, dat is een afgodendienaar, erfdeel heeft in het koninkrijk van Christus en van God” (Ef 5:5).
In dit vers wordt een beroep gedaan op wat we weten en hebben erkend, namelijk dat door alles wat we vroeger waren en deden, er geen enkele binding was met het terrein waar Christus en God alle heerschappij hebben. Bij onze bekering hebben we dat beleden. We hebben geloofd dat al onze zonden zijn weggedaan in het oordeel dat over Christus is gekomen en vergeven door God (1Jh 1:9). Toch kunnen we dat vergeten en weer gaan leven als vroeger. Daarom wordt hier een beroep gedaan op ons geweten, om ons te herinneren aan wat we bij onze bekering bij het kruis hebben beleden en weggedaan.
Er is echter niet alleen de herinnering aan wat is weggedaan. Er is ook het uitzicht op het “erfdeel in het koninkrijk van Christus en van God”. Dit koninkrijk zal in de volheid der tijden worden opgericht (Ef 1:10). Het is “het koninkrijk van Christus” omdat Christus het middelpunt ervan is, Hij regeert. Het is “het koninkrijk van God” omdat God de oorsprong, de Bedenker ervan is, het is Zijn raadsbesluit.
Bij “erfdeel” denken we aan de toekomst; we zijn erfgenamen van een erfenis die nog moet komen. Ons erfdeel in het koninkrijk ontvangen we in de volheid der tijden bij de openbaring van Christus. De rechten van God en Zijn regering zullen dan openlijk worden gevestigd in het heelal, voor iedereen zichtbaar en door iedereen erkend. Het toekomstige erfdeel wordt hier genoemd om aan te geven dat wij ons leven moeten zien in het licht van die tijd. Het gevolg is dat we de heerschappij over ons leven nu al in handen van Christus en God leggen.
Het koninkrijk van de Zoon van Zijn liefde
Deze uitdrukking vinden we in Kolossenzen 1: “Die ons gered heeft uit de macht van de duisternis en overgebracht in het koninkrijk van de Zoon van Zijn liefde” (Ko 1:13).
Er moest iets met ons gebeuren om ons geschikt te maken om deel te krijgen aan dat erfdeel! Wij behoorden namelijk eerst helemaal niet bij het licht, maar bij het tegenovergestelde, de duisternis. We waren in de macht ervan, de duisternis hield ons gevangen. De vorst van de duisternis, de satan, was onze baas. Wie in de duisternis zit, mist elk spoortje licht. Er was geen enkele oriëntatie waar we waren en waar we heen gingen.
Hoe groot de duisternis is, bleek toen de Heer Jezus kwam als het licht. Maar de duisternis bleef (Jh 1:5) omdat de mensen de duisternis liever hadden dan het licht (Jh 3:19). De macht van de duisternis over de mens werd het duidelijkst toen mensen de Heer Jezus gevangennamen en doodden (Lk 22:53). Maar de genade van God is groter. De Heer Jezus heeft de macht van de duisternis overwonnen. Hij is opgestaan uit de doden. Als resultaat daarvan heeft Hij, Die gezegd heeft “uit duisternis zal licht schijnen”, ook geschenen in onze harten en ons gered uit die macht (2Ko 4:6).
Daarbij is het niet gebleven. Nadat Hij ons gered heeft, zijn we niet in een soort niemandsland terechtgekomen. De Vader heeft ons ook niet teruggeplaatst in een hersteld paradijs. Het is veel heerlijker: Hij heeft ons overgebracht “in het koninkrijk van de Zoon van zijn liefde”. In dat rijk is de Zoon het middelpunt. De atmosfeer van dat rijk is de liefde van de Vader voor de Zoon.
Als we aan een koninkrijk denken, denken we aan heerschappij en onderwerping. Dat is hier ook zo, maar alles is ingebed in de liefde van de Vader voor de Zoon. Het gaat niet ‘slechts’ om een atmosfeer, maar om Goddelijke Personen. We zijn nu al in verbinding gebracht met de Vader en de Zoon, en Hun liefde omsluit nu ook ons. Is er iets denkbaar dat groter is?
Zijn hemels koninkrijk
Paulus spreekt over “Zijn hemels koninkrijk” (2Tm 4:18). Als hij dit zegt, bevindt hij zich voor de tweede en laatste keer in gevangenschap. Hij is alleen, allen hebben hem verlaten (2Tm 4:16). Toch komt er geen verwijt over zijn lippen. Hij is zich ervan bewust dat de Heer bij hem is, hem bijstaat en sterkt. Al heeft iedereen om hem heen hem in de steek gelaten, de Heer is bij hem gebleven (vgl. Hd 18:9; 23:11).
De persoonlijke tegenwoordigheid van de Heer is de bijzondere ervaring die we opdoen in situaties waarin alles om ons heen is weggevallen omdat wij Hem trouw willen blijven. Hij heeft “mij gesterkt” betekent letterlijk ‘Hij heeft kracht in mij gegoten’ of ‘Hij heeft mij een krachtinfuus gegeven’ (Fp 4:13). Als Zijn aanwezigheid een levende realiteit voor ons is, voelen we onze kracht vernieuwen (vgl. Js 40:31).
De satan, die als een brullende leeuw tegen Paulus tekeergaat om hem te verslinden (1Pt 5:8), krijgt daarvoor nog steeds niet de gelegenheid. Paulus kent en ervaart de enorme dreiging van de leeuw en zijn woede om hem te verscheuren. Maar hij kijkt over de leeuw heen naar de Heer. Hij is er zeker van dat de Heer hem zal “redden van elk boos werk”. ‘Redden’ betekent hier uit de gevarenzone halen, en ‘behouden’ betekent in veiligheid brengen. Aan de ene kant haalt de Heer hem weg uit een gebied vol gevaren, aan de andere kant brengt de Heer hem in een gebied waar hij volkomen veilig is. Dat laatste gebied is “Zijn hemels koninkrijk”.
Paulus rekent tot het einde op de Heer. Al zou hij ontslapen in plaats van veranderd te worden, hij blijft altijd uitzien naar de verschijning van de Heer Jezus. Hij ziet uit naar Zijn hemels koninkrijk. Het ‘hemels koninkrijk’ is het hemelse deel van het koninkrijk, zoals hierboven is beschreven.
Paulus ziet ernaar uit met de Heer Jezus mee te komen als Hij verschijnt aan de wereld. Dan zal hij een van die heiligen zijn in wie de Heer Jezus wordt verheerlijkt en een van die gelovigen in wie de Heer Jezus wordt bewonderd (2Th 1:10). Hij zal een van die rechtvaardigen zijn die “stralen als de zon in het koninkrijk van hun Vader” (Mt 13:43). ‘Stralen als de zon’ betekent stralen als de Heer Jezus, want Hij is de Zon (Ml 4:2a). Om Hem gaat het.
Een onwankelbaar koninkrijk
Het koninkrijk van God is “een onwankelbaar koninkrijk” (Hb 12:28). Toen God sprak bij het geven van de wet, dat wil zeggen het sluiten van het oude verbond, werd de aarde aan het wankelen gebracht (Hb 12:26; Ex 19:18). Ook het sluiten van het nieuwe verbond zal gepaard gaan met een wankelende aarde, maar dan zal ook de hemel wankelen. Zo heeft God het aangekondigd aan het einde van het Oude Testament (Hg 2:7). De introductie van het vrederijk zal voorafgegaan worden door vreselijke aardbevingen tijdens de grote verdrukking (Op 6:12), en bij de wederkomst van Christus zullen er tekenen aan de hemel zijn (Mt 24:29).
Dat zal uitmonden in een “verandering van de wankelbare” (Hb 12:27), gemaakte, tijdelijke “dingen”. Het oude wordt verwijderd en er komt iets nieuws voor in de plaats, dat onwankelbaar is. Het Jodendom behoort tot het oude bestel en zal daarom verdwijnen. De gemeente behoort tot het nieuwe bestel en zal daarom blijven. Zo blijft alles wat God heeft gezegd (1Pt 1:25), evenals ieder die Zijn Woord heeft aangenomen (1Jh 2:17).
Het “onwankelbare koninkrijk” dat de Zoon zal oprichten, zal Hij uit Gods hand ontvangen (Dn 7:13; Ps 2:8) en wij ontvangen het met Hem (Lk 12:32; 22:29). Hij zal er duizend jaar over regeren (Op). Dat zal een heerlijke tijd van vrede en gerechtigheid zijn. Over deze tijd staat veel in de profetieën van het Oude Testament. Ook in het Nieuwe Testament vinden we verschillende gedeelten die gaan over de openbare regering van de Heer Jezus. Na die heerlijke tijd geeft Hij het koninkrijk over aan God de Vader. Dan is het einde van al het tijdelijke gekomen en begint de eeuwigheid.
Het eeuwige koninkrijk
Als je geestelijk groeit, geeft dat niet alleen zekerheid, maar ook een belofte. Die belofte is de rijkelijke “ingang in het eeuwige koninkrijk van onze Heer en Heiland Jezus Christus” (2Pt 1:11). Iedere gelovige zal dat koninkrijk binnengaan, maar niet iedere gelovige zal dat op dezelfde wijze doen. Petrus zegt dat voor hen die hun roeping en verkiezing vastmaken, de ingang “rijkelijk” is.
Het “eeuwige koninkrijk” is het koninkrijk van God in zijn eeuwige vorm. De Heer Jezus zal duizend jaar regeren over het koninkrijk van God. Dat zal, door Zijn regering, een heerlijke tijd van vrede en gerechtigheid zijn. Na die weldadige tijd geeft Hij het koninkrijk over aan God de Vader (1Ko 15:24). Dan is het einde van al het tijdelijke gekomen en begint de eeuwigheid. Ook in de eeuwigheid zal dat koninkrijk Gods koninkrijk blijven. Het zal wel van vorm veranderen als de eeuwigheid is aangebroken, waarbij er een nieuwe hemel en een nieuwe aarde zullen zijn (2Pt 3:13).
De regering van de Heer Jezus is een eeuwige regering (vgl. Op 22:5). Aardse koninkrijken zijn wankelbaar en komen en gaan. Dat geldt niet voor het koninkrijk van “onze Heer en Heiland Jezus Christus”. Als het is gekomen, blijft het (vgl. Dn 2:44; 7:14; Lk 1:32-33). Als Zijn koninkrijk gevestigd is, zal Hij daarover regeren met allen die Hem in de tijd van Zijn verwerping hebben aangenomen en Hem daarin zijn gevolgd. Hij zal ieder van hen een taak geven in overeenstemming met de trouw waarmee iemand Hem heeft gediend in de tijd van Zijn verwerping.
Allen die zich hebben ingespannen om Hem beter te leren kennen (2Pt 1:5-8) en ijverig bezig zijn geweest hun roeping en verkiezing vast te maken (2Pt 1:10), zal Hij een rijkelijke ingang verlenen. Hij zal hen daarmee speciaal eren, in tegenstelling tot hen die naar eigen inzichten hebben geleefd en als door vuur heen behouden zijn geworden (1Ko 3:14-15). Ik hoop dat wij ons ervoor willen inzetten die rijkelijke ingang te krijgen.
Het koningschap van de Heer Jezus
Tot slot de verschillende gebieden die worden genoemd in verband met het koningschap van de Heer Jezus. We zien dat deze gebieden of kringen steeds groter worden; ze tonen een steeds ruimere sfeer van Zijn gezag.
Het eerste is Zijn gezag in het leven van elke individuele persoon. Dat horen we in de erkenning van David, als hij de HEERE “mijn Koning” noemt (Ps 5:3). Voor ons betekent dit dat we Hem als Heer van ons leven erkennen. Er zijn vier mensen in het Nieuwe Testament die de Heer Jezus – Hij is de HEERE van het Oude Testament – “mijn Heer” noemen: Elizabeth (Lk 1:43), Maria Magdalena (Jh 20:13), Thomas (Jh 20:28) en Paulus (Fp 3:8). Het wordt gezegd door twee vrouwen en twee mannen.
De volgende kring is die van een volk: Hij is “de Koning van Israël” (Js 44:6; Jh 1:50). Als Koning heeft Hij een eigen volk, het aardse volk van God, Israël. In het Nieuwe Testament is de gemeente Zijn “eigen volk” (Tt 2:13-14).
De ruimste kring is Zijn koningschap over alle volken: Hij is de “Koning van de heidenvolken (of: naties)” (Jr 10:7; Op 15:3). Hij regeert over alle volken, geen enkel volk uitgezonderd.
Hij is ook “de Koning der koningen” (1Tm 6:15; vgl. Op 1:5). Hij staat boven alle koningen. Alle machthebbers van de aarde staan onder Zijn universele heerschappij (1Kr 29:11-12).
In verband met de tijd is Hij “de Koning der eeuwen” (1Tm 1:17; vgl. Ex 15:18). Er is geen periode in de geschiedenis van de wereld waarin Hij niet het gezag stevig in handen heeft.
We sluiten ons van harte aan bij wat Johannes zegt in de lofzang waarin hij uitbarst als hij de heerlijkheid van de Heer Jezus heeft beschreven: “Jezus Christus, de trouwe Getuige, de Eerstgeborene van de doden en de Overste van de koningen van de aarde. Hem Die ons liefheeft en ons van onze zonden heeft verlost door Zijn bloed, en ons gemaakt heeft tot een koninkrijk, tot priesters voor Zijn God en Vader, Hem zij de heerlijkheid en de kracht tot in <alle> eeuwigheid! Amen” (Op 1:5b-6).