Wat moet de gemeente doen?
Nadat we de verschillende aspecten van beide leringen hebben besproken, is belangrijk na te gaan hoe we als gemeente en persoonlijk moeten omgaan met mensen die een van beide leringen aanhangen. De plaatselijke gemeente heeft de verantwoordelijkheid erop toe te zien dat in haar midden geen verkeerde leringen of dwaalleringen voet aan de grond krijgen. Als deze leringen zich voordoen, is het belangrijk de Heer te vragen wat we moeten doen. Moet er tucht worden toegepast en zo ja welke en hoe? Het uitgangspunt moet zijn dat we iemand die van de waarheid afdwaalt, terugbrengen bij Gods Woord en de kinderen van God. Iemand die belijdt een kind van God te zijn en in leer of leven afwijkt van Gods Woord zullen we moeten benaderen vanuit het verlangen dat zo iemand het verkeerde inziet, belijdt en nalaat (Sp 28:13).
Tucht in geval van ‘alverzoening’
Zoals opgemerkt, is de leer van ‘alverzoening’ niet ‘de leer van Christus’ waarover Johannes in zijn tweede brief schrijft. Het is goed om de eerder aangehaalde verzen 9-11 uit die brief nader te bekijken. Vanwege het belang van deze verzen citeer ik ze nog een keer:
“Ieder die verder gaat en niet blijft in de leer van Christus, die heeft God niet. Wie in de leer blijft, die heeft zowel de Vader als de Zoon. Als iemand tot u komt en deze leer niet brengt, ontvangt hem niet in huis en begroet hem niet. Want wie hem begroet, heeft gemeenschap met zijn boze werken” (2Jh 1:9-11).
“De leer van Christus” (2Jh 1:9) is niet de leer die Christus heeft gebracht, maar de leer waarvan Hij het onderwerp is, de leer die Hem betreft. De belangrijkste kenmerken van de leer van Christus worden door ieder kind van God van harte geloofd en beleden, terwijl de duivel zijn uiterste best doet om daarover valse leringen te verspreiden. De leer van Christus betreft in elk geval: Zijn eeuwige Godheid, Zijn maagdelijke geboorte, Zijn volmaakte Mensheid, Zijn zondeloosheid, de onmogelijkheid om te zondigen, Zijn onloochenbare prediking (waaronder Zijn prediking over het eeuwig oordeel!), Zijn plaatsvervangend lijden, Zijn lichamelijke opstanding, verheerlijking en wederkomst.
Elke afwijking van deze leer moet krachtig worden afgewezen. Johannes spreekt over dwaalleraren, mensen die weten wat ze zeggen en proberen hun dwaalleer ingang te doen vinden. Het gaat niet over mensen die misleid zijn of in onwetendheid uitdrukkingen gebruiken die de eer van de Heer aantasten. Zulke mensen zullen direct bereid zijn het verkeerde in te zien als zij daarop worden gewezen.
De leer van Christus omvat de hele geopenbaarde waarheid over de Heer Jezus, alles wat Hem in Zijn persoonlijke heerlijkheid raakt. Met “ieder die verder gaat” (2Jh 1: 9) worden de dwaalleraren bedoeld, die beweren meer licht te bezitten en te brengen, nieuwe openbaringen, iets nieuws dat voorheen onbekend was. Dat is te herkennen in wat mijn gesprekspartner zei over ‘geheimenis’.
‘Verder gaan’ is het overschrijden van een door God gestelde grens. Wat ‘verder gaat’, gaat boven de Goddelijke openbaring uit en wijkt daarmee af van wat God bekendgemaakt heeft. Het is een toevoegen aan Gods Woord, wat door God wordt veroordeeld (Op 22:18). Zulk verder gaan is geen vooruitgang, maar afval. Wie niet tevreden is met de waarheid van God in Christus en daarom verder gaat dan die waarheid, verliest haar. Verder gaan dan het geïnspireerde Woord door het in te ruilen voor verzinselen van de menselijke geest, betekent het niet hebben van God. Wie daarentegen in de leer blijft, heeft de hoogste, diepste en innigste openbaring van de Godheid.
Dan wijst Johannes de vrouw aan wie hij schrijft erop dat als zij iemand aan de deur krijgt die de leer van Christus niet brengt, zij die persoon niet in huis moet ontvangen en hem ook niet mag begroeten (2Jh 1:10). Hij verbiedt hier elke ondersteuning aan dergelijke mensen. Zulke personen onderdak en voedsel geven, zou betekenen dat zij haar tijd, krachten en middelen zou inzetten tot het verspreiden van dwaalleer. Ze zou daarmee de duivel helpen bij zijn verwerpelijke werk. Voor een dwaalleraar mag ons huis dus niet openstaan. Een kind van God mag niet toelaten dat zijn huis als uitvalsbasis dient voor wat het christendom verderft. Met zo iemand is geen enkele omgang geoorloofd.
De begroeting waarover Johannes spreekt, is niet de simpele groet ‘goede morgen’ die we tegen iemand zeggen die we tegenkomen en van wie we niet eens weten dat hij een dwaalleraar is, bijvoorbeeld een Jehova’s getuige. Als we weten dat onze buurman of collega tot de dwaalsekte van de Jehova’s getuigen behoort, zal onze houding zeer gereserveerd zijn. We zullen de noodzakelijke contacten hebben, maar niet meer dan dat. Zeker zullen we onze buurman helpen als hij hulp nodig heeft en hem niet in de kou laten staan.
Maar zodra onze buurman, collega of een onbekende aan onze deur komt om zijn dwaallering aan ons op te dringen, moeten we radicaal zijn en hem zeker geen ‘goede morgen’ wensen. De man is op pad om verderfelijke leringen te verspreiden. Als we hem dan een ‘goede morgen’ zouden wensen, wensen we hem voorspoed in zijn boze werken en hebben we daar zelf deel aan. We mogen niets doen wat de indruk wekt dat een valse leer onbeduidend is. We moeten ons verre houden van alles wat de dwaalleraar de mogelijkheid geeft anderen te beïnvloeden.
In het volgende vers (1Jh 1:11) leren we dat we zo iemand niet kunnen scheiden van zijn boze werken. Een boze leer brengen is een boos werk doen en een boze leer heeft boze werken tot gevolg. Gemeenschap met de persoon is gemeenschap met zijn werken. Een groet betekent gemeenschap hebben met zijn persoon en met alles wat in hem is, in dit geval ook met zijn boze werken. Het zal duidelijk zijn dat in de gemeente zowel de dwaalleraar als degene die hem ontvangt of begroet, niet kan deelnemen aan de christelijke gemeenschap en dus zeker niet aan het avondmaal. Wie uit een gemeenschap komt waar dwaalleer wordt verkondigd of waar boze praktijken voorkomen, zonder dat dit kwaad door die gemeenschap wordt geoordeeld en uit het midden wordt weggedaan (1Ko 5:13b), kan niet worden ontvangen aan de tafel van de Heer. Eerst moet zo iemand zich daarvan reinigen door zich eraan te onttrekken en dan kan hij meedoen aan het avondmaal:
“Evenwel, het vaste fundament van God staat en heeft dit zegel: [De] Heer kent hen die de zijnen zijn; en: Laat ieder die de naam van [de] Heer noemt, zich onttrekken aan ongerechtigheid. In een groot huis nu zijn niet alleen gouden en zilveren vaten, maar ook houten en aarden; en sommigen wel tot eer, maar anderen tot oneer. Als dan iemand zich van deze [vaten] reinigt, zal hij een vat zijn tot eer, geheiligd, bruikbaar voor de Meester, tot alle goed werk toebereid. Maar ontvlucht de begeerten van de jeugd en jaag naar gerechtigheid, geloof, liefde en vrede met hen die de Heer aanroepen uit een rein hart” (2Tm 2:19-22).
Wie meent in een gemeenschap te kunnen blijven waar deze dingen voorkomen en er zelfs te kunnen deelnemen aan het avondmaal, toont onverschilligheid tegenover het kwaad. Het kan zijn dat hij er zelf niet aan meedoet, het zelfs afkeurt, er mogelijk zelfs tegen protesteert. Als men echter niets tegen het kwaad onderneemt en het laat bestaan, kan iemand daar niet met een vrij geweten blijven. Voor hem geldt de oproep:
“Gaat uit van haar, Mijn volk, opdat u met haar zonden geen gemeenschap hebt en opdat u van haar plagen niet ontvangt” (Op 18:4).
Tucht in geval van ‘algemene verzoening’
Het bovenstaande geldt voor onze houding tegenover iemand die de leer van de ‘alverzoening’ aanhangt, hetzij door deze actief te prediken, hetzij door daarvoor een podium te bieden.
Nu rijst de vraag wat onze houding moet zijn tegenover iemand die de leer van de ‘algemene verzoening’ aanhangt. Zoals aangegeven, is deze dwaling niet van dezelfde aard als die van de ‘alverzoening’. Dat moet ook tot uiting komen in de manier waarop de gemeente met zo iemand omgaat. Als blijkt dat iemand deze leer aanhangt, verdedigt en verbreidt, zal eerst geprobeerd worden hem het verkeerde van zijn lering te laten inzien. Dat gebeurt met geduld en zachtmoedigheid aan de hand van de Schrift. In het algemeen zal iemand die deze leer aanhangt sneller overtuigd kunnen worden van de ondeugdelijkheid ervan dan een aanhanger van de dwaalleer van de ‘alverzoening’. Vaak is er wel het verlangen zich aan de Schrift te onderwerpen.
Toch kan het voorkomen dat iemand ondanks alle pogingen om hem tot het juiste inzicht in de Schrift te brengen, bij zijn overtuiging blijft. Maar zoals duidelijk is geworden uit de weerlegging van de dwaling van de ‘algemene verzoening’, doet die overtuiging tekort aan Christus en Zijn werk. Tevens is door de weerlegging van beide leringen duidelijk geworden dat deze afwijking van de leer van de Schrift niet zo ver gaat als die van de ‘alverzoening’. Iemand die de leer van de ‘algemene verzoening’ aanhangt, twijfelt niet aan de realiteit en duur van het eeuwig oordeel.
Hoewel er dus geen grond is om zo iemand als een ‘boze’ uit het midden van de gemeente weg te doen en hem van het avondmaal te weren, is er toch een gebrek aan inzicht in het werk van Christus. Voor het bepalen van de houding van de gemeente kunnen we een aanwijzing vinden in de oudtestamentische priesterdienst. In Leviticus 21 spreekt de HEERE tot Mozes over uitzonderingen in de priesterdienst voor bepaalde nakomelingen van Aäron. De nakomelingen van Aäron zijn geroepen om priesterdienst uit te oefenen. Zij die een bepaald lichamelijk gebrek hadden, werden daarvan echter uitgesloten. In Leviticus 21 lezen we:
“De HEERE sprak tot Mozes: Spreek tot Aäron en zeg: Niemand van je nageslacht, [al] hun generaties door, die een gebrek heeft, mag naar voren komen om het voedsel van zijn God aan te bieden. Voorzeker, geen enkele man die een gebrek heeft, mag naar voren komen: een blinde man, of een verlamde, of iemand met een misvormd gezicht of te lange ledematen, of iemand die een [vergroeide] breuk [in zijn] voet, of een [vergroeide] breuk [in zijn] hand heeft, of iemand met een bochel, of een dwerg, of iemand met een vlek op zijn oog, of met uitslag, of een huidziekte of met verminkte testikels. Geen enkele man uit het nageslacht van de priester Aäron met een gebrek mag naderbij komen om de vuuroffers van de HEERE aan te bieden. Hij heeft een gebrek, [daarom] mag hij niet naderbij komen om het voedsel van zijn God aan te bieden” (Lv 21:16-21).
Maar hoewel zij waren uitgesloten van het verrichten van priesterdienst, mochten zij wel van de heilige offergave eten:
“Hij mag [wel] het voedsel van zijn God eten, zowel van de allerheiligste als van de heilige [offergaven]” (Lv 21:22).
Hier vinden we een aanwijzing voor de nieuwtestamentische priesterdienst. Wat in het Oude Testament letterlijk bedoeld is, moet in het Nieuwe Testament geestelijk worden toegepast. In deze tijd is iedere gelovige in geestelijk opzicht een priester en tot een geestelijke priesterdienst geroepen (1Pt 2:5). Hij brengt geen letterlijke offers, maar geestelijke offers (Hb 13:15). Een lichamelijk gebrek maakt nu een geestelijke priester niet ongeschikt voor de uitoefening van zijn geestelijke priesterdienst, maar een geestelijk gebrek. Daarmee hebben we in dit geval van de ‘algemene verzoening’ te maken.
Zo iemand mag wel van de heilige dingen eten, dat wil zeggen deelnemen aan het avondmaal, maar kan niet namens de gemeente God danken voor het werk van Zijn Zoon. Hij heeft daarover immers niet de juiste gedachten. Hij denkt over het werk van Christus niet zoals God dat doet. Hij schrijft Christus iets toe wat Christus niet heeft gedaan, namelijk de zonden van alle mensen dragen. Ook schrijft hij God iets toe wat God niet zal doen, namelijk zonden die al gestraft zijn nogmaals straffen. Wie een dergelijke verkeerde kijk op Christus en Zijn werk heeft, vertoont een gebrek dat hem ongeschikt maakt om priesterdienst in de gemeente te verrichten.
Gelukkig is het met een dergelijk gebrek anders dan met het lichamelijke gebrek van de priester in het Oude Testament. Dat lichamelijke gebrek (blindheid, vergroeiing, misvorming) was vaak aangeboren en permanent. Voor een geestelijk gebrek blijft de hoop bestaan dat dit verandert. Daarvoor kan worden gebeden dat de Heer dat geeft.