Voordat Paulus spreekt over het ontvangen van “een andersoortige geest” (2Ko 11:4), legt hij de oorzaak daarvan bloot.
Uit welke bron komt een geest
Voordat Paulus spreekt over het ontvangen van “een andersoortige geest” (2Ko 11:4), legt hij de oorzaak daarvan bloot: “Maar ik vrees dat wellicht, zoals de slang Eva verleidde door haar sluwheid, uw gedachten bedorven [en afgeweken] zijn van de eenvoudigheid <en de reinheid> jegens Christus” (2Ko 11:3). We moeten eerst oog krijgen voor de sluiproute van een “andersoortige geest”, zodat we de ingang die hij zoekt om bij ons binnen te komen, kunnen blokkeren.
De ingang die hij zoekt, zit in onze “gedachten”. “De slang”, dat is de satan, doet zijn uiterste best om onze gedachten te bederven, zodat ze afwijken “van de eenvoudigheid <en de reinheid> jegens Christus”. Hij wil ons ertoe brengen dat we gaan twijfelen aan Gods wil voor ons leven. Die wil is dat wij ‘eenvoudig’ leven, dat wil zeggen met ons oog en hart uitsluitend gericht op Christus. Hij wil dat ons leven hetzelfde Middelpunt als Hijzelf heeft, omdat dit ons de volle zegen en volkomen blijdschap geeft. Dat is een doorn in het oog van de satan.
Er wordt vandaag veelvuldig een gemakkelijk evangelie gepredikt. De woorden ‘zonde’ en ‘bekering’ worden niet meer gehoord. Zo’n evangelie dringt niet aan op een radicale bekering en grondig zelfoordeel. Zo’n evangelie kun je gemakkelijker aannemen dan wat Paulus predikt. Paulus gaat uit van het volkomen bankroet van de mens, maar is dat niet wat overdreven? Er zit toch nog wel iets goeds in de mens?
Als we niet meer gericht zijn op Christus en we zien zoveel christenen om ons heen die het leven veel gemakkelijker nemen, dan is het gevaar groot dat onze toewijding aan Hem verslapt. Als we daar niet mee afrekenen, zetten we de deur van ons hart op een kier voor de ontvangst van “een andere Jezus”, of “een andersoortige geest”, of “een andersoortig evangelie”.
Welke “andere Jezus” de dwaalleraars predikten, weten we niet. Dat hoeft ook niet. Elke dwaling over Hem wordt ontmaskerd als we de waarheid van Gods Woord kennen en ons daarvoor buigen. Ik heb begrepen dat het woord “andere” de zin heeft van ‘nog een’ erbij of ernaast. Dan is de Jezus die Paulus hun heeft gepredikt niet uniek, wat betekent dat het helemaal niet de Jezus is Die Paulus hun had gepredikt. Paulus had in Korinthe tijdens zijn eerste bezoek aan hen, met name de Joden, gepredikt dat “Jezus de Christus” is (Hd 18:4-5).
Voor ons, gelovigen uit de heidenen, is dat niet anders, want God heeft deze Jezus “zowel tot Heer als tot Christus gemaakt” (Hd 2:35). Dat is een algemene waarheid. Ieder die Hem anders predikt, bijvoorbeeld door Hem alleen als een goed Mens voor te stellen van Wie je veel kunt leren, predikt een andere Jezus. Een dergelijke prediker en zijn leringen moeten we verwerpen.
Wat die “andersoortige geest” is, weten we ook niet en dat is ook niet nodig. De Korinthiërs hadden, nadat zij het evangelie van hun behoudenis hadden geloofd (1Ko 15:1-4), de Heilige Geest ontvangen (Ef 1:13). En wat doet de Heilige Geest? Hij verheerlijkt de Heer Jezus (Jh 16:13-15). Ze hadden “niet de geest van de wereld ontvangen, maar de Geest Die uit God is, opdat wij weten de dingen die ons door God geschonken zijn” (1Ko 2:12). Een “andersoortige geest” is een geest van fundamenteel andere aard.
Zodra we de Heilige Geest belemmeren om ons op de heerlijkheid van de Heer Jezus te wijzen en wij ons niet meer met vreugde bezighouden met “de dingen die ons door God geschonken zijn”, komt er ruimte in onze geest voor “een andersoortige geest”. Die “andersoortige geest” beïnvloedt ons denken. Dan zoeken en bedenken we niet meer de dingen die boven zijn, waar Christus is, maar de dingen die op de aarde zijn (Ko 3:1-2). Christus, Die de eerste plaats behoort te hebben in ons denken, wordt van Zijn plaats verdrongen.
De Korinthiërs hadden ook ruimte geboden aan de prediking van “een andersoortig evangelie” dat haaks stond op het evangelie dat Paulus hun had gepredikt en dat ze hadden aangenomen (1Ko 15:1-4). Waaruit dit “andersoortige evangelie” bestond, weten we niet. Als we het ware evangelie kennen en in overeenstemming ermee leven, zal de prediking van een evangelie dat daarvan afwijkt, snel opvallen.
In de brief aan de Galaten zegt Paulus het nog krachtiger. Daaraan moest ik direct denken toen ik deze vraag las. Hij zegt tegen de Galaten: “Ik verwonder mij, dat u zo snel van Hem Die u door [de] genade <van Christus> heeft geroepen, overgaat naar een ander evangelie, dat geen ander is; maar er zijn sommigen die u in verwarring brengen en het evangelie van Christus willen verdraaien” (Gl 1:6-7). Hij vervloekt hen die een ander evangelie brengen (Gl 1:8). Dat is niet niks! Hij herhaalt die vervloeking zelfs in het volgende vers (Gl 1:9).
Onlangs heb ik te maken gehad met iemand die een andere Jezus predikt, die een andersoortige geest heeft en een andersoortig evangelie verkondigt. Hij predikt een Jezus die wel de Zoon van God is, maar dat pas werd bij Zijn geboorte. Hij loochent Hem als de eeuwige Zoon. Hij loochent en bestrijdt dat God drie-enig is: God de Vader, God de Zoon en God de Heilige Geest, drie Personen, één God. De Zoon is Mens geworden, zonder op te houden God te zijn (Jh 1:1-3,14).
Op grond van wat Johannes in zijn eerste brief schrijft, had ik te maken met “een andersoortige geest”, die van de antichrist: “Wie is de leugenaar dan hij die loochent dat Jezus de Christus is? Deze is de antichrist, die de Vader en de Zoon loochent” (1Jh 2:22). Johannes schrijft dit aan de baby’s in het geloof (1Jh 2:18). Je hoeft dus niet lang christen te zijn en veel in de Bijbel gelezen te hebben om dit te onderkennen.
Baby’s in het geloof zijn, dankzij de Heilige Geest met Wie zij gezalfd zijn en Die in hen woont, in staat de geesten te beproeven of zij uit God zijn (1Jh 2:20,27; 4:1-3). Iedere gelovige kan onderscheiden wat van Gods Geest komt en wat komt van de geest van de antichrist door te vragen naar de belijdenis van Jezus Christus.
Er staat niet dat je mensen op de proef moet stellen om te weten of zij wel gelovigen zijn of de rechte leer aanhangen, maar er wordt gesproken over geesten. Het gaat niet om een orthodoxe belijdenis, maar om de vraag uit welke bron mensen spreken. Is de bron de Heilige Geest of een demonische geest? Dat is de vraag waar het om gaat. Het gaat erom mensen te ontmaskeren die zich als profeten presenteren en beweren met een boodschap van God te komen, terwijl ze in werkelijkheid de leugen brengen en dus door een demonische geest spreken.
Ik zeg hiermee niet dat zulke mensen door demonen bezeten zijn, maar dat zij zich als spreekbuis van de duivel laten gebruiken. Petrus was een waarachtig gelovige. Maar als hij de Heer Jezus wil verhinderen de weg te gaan die de Vader Hem liet gaan, zegt de Heer tegen hem: “Ga weg, achter Mij, satan, je bent Mij een aanstoot; want je bedenkt niet de dingen van God, maar de dingen van de mensen” (Mt 16:21-23).
De Heer onderkent de bron van waaruit Petrus spreekt. Petrus laat zich gebruiken door de satan, die Hem van het pad van gehoorzaamheid wil afbrengen. De satan kan hem daarvoor gebruiken omdat hij niet de dingen van God bedenkt, maar die van de mensen. Wij schuwen vaak het lijden en willen heerlijkheid zonder ervoor te hoeven lijden. Bij God kan er geen heerlijkheid op aarde zijn dan alleen door het lijden heen.
De laatste woorden van Paulus, waarmee hij zich tot zijn jonge vriend Timotheüs richt, bevatten de wens dat de Heer met zijn geest zal zijn (2Tm 4:22). De tweede brief aan Timotheüs is de laatste brief die we van hem in de Bijbel hebben. Het is, om zo te zeggen, zijn geestelijk testament. Hij schrijft daarin over de “laatste dagen” van de christenheid met “zware tijden”, waarin het verval zich steeds meer aftekent (2Tm 3:1-5).
Het zijn de dagen waarin wij leven. Zijn laatste wens voor Timotheüs persoonlijk is ook een wens voor ons. Ik wens het voor mezelf en voor de lezer. Het houdt in dat we in ons leven en onze dienst voor God voortdurend de tegenwoordigheid van Christus, de Heer, zullen ervaren. Laten we ons voornemen onze geest niet in beslag te laten nemen door de wereld en haar denken, ook niet als we zien hoe in de christenheid het verval steeds grotere vormen aanneemt en we daaraan iets willen doen.
Met vriendelijke groet,
Ger de Koning